rijkdom vergaren bij de VOC

Een fortuin vergaren bij de VOC

De Gouden Eeuw staat bekend als een hoogtepunt in de Nederlandse geschiedenis, zeker wat betreft relatieve welvaart. Hoewel het klopt dat de Republiek gemiddeld rijker was dan haar buurlanden, was het voor de meeste mensen geen vetpot. Ook de winsten van de VOC kwamen vooral ten goede aan een kleine bovenlaag.

VOC – een slechte werkgever

Ondanks haar successen stond de Verenigde Oost-Indische Compagnie niet bekend als goede werkgever. Voor de talloze gevaren die de opvarenden van schepen moesten trotseren kregen zij meestal matig betaald. Het is daarom geen wonder dat de VOC moeite had soldaten en matrozen te vinden. Officieel moesten werknemers protestants zijn en vrij van schuld en strafblad. In de praktijk negeerden de keuringsfunctionarissen op grote schaal deze eisen. De VOC trok veel arme mensen aan die wanhopig waren en verlangden naar een vast inkomen en een dagelijkse maaltijd. Naar schatting was zo’n 40% van de matrozen van buitenlandse afkomst; ze kwamen vooral uit Duitsland, Scandinavië en de Baltische Staten.

Toch was het wel degelijk mogelijk een fortuin te vergaren bij de VOC. Het makkelijkst was dit voor hoge officieren, die een veel beter loon kregen en makkelijker illegaal konden bijverdienen. Maar ook gewone matrozen en soldaten konden het goed treffen; waarschijnlijk traden sommige mensen in dienst met de verwachting grote rijkdommen te vergaren in het oosten. Meestal kwamen zij bedrogen uit. De VOC was volgens sommige historici een door en door corrupte organisatie. Deels is dit te wijten aan de lage salarissen die het bedrijf betaalde.

Soldij matrozen en soldaten

Onderaan de salarisladder stonden matrozen en soldaten met een soldij van zo’n 10 gulden per maand. Ondanks dat hierbij eten en onderdak waren inbegrepen, was het een karig loontje. Een Amsterdamse dagloner verdiende in 1650 bijvoorbeeld zo’n twintig stuivers per dag, terwijl een zeeman er slechts zes ontving. Voor dat bedrag kon hij net een roggebrood en een kan bier kopen. Het onderhouden van een gezin van vijf personen in Amsterdam kostte ongeveer 300 gulden per jaar, terwijl een matroos nauwelijks de helft daarvan verdiende.

Voering en corruptie

Vaak probeerde matrozen en soldaten (net als alle andere werknemers) wat bij te verdienen met eigen handeltjes. Elk bemanningslid mocht in een kist wat goederen (voering) meenemen uit het oosten om te verkopen. Alle goederen waar de VOC een monopolie op had waren hiervan uitgesloten. Toch kon middels omkoping of andere trucjes wel wat geregeld worden. Vaak lieten corrupte toezichthouders zich omkopen. Bovendien gold dat hoe hoger men in rang was, hoe minder het toezicht en hoe hoger de verdiensten.

Aangezien het loon op de schepen pas bij aankomst werd uitgekeerd, kregen bemanningsleden toch een flinke smak geld mee. Niet zelden joegen zij dit geld er in een mum van tijd doorheen. Zij werden daarom ook wel ‘heer van zes weken’ genoemd. Ze leefden een paar weken als een heer en waren daarna weer net zo arm als voordat ze vertrokken.

Inkomsten van koopman en gouverneur

Hoewel het vak van ziekentrooster, chirurgijn, schipper of koopman een stuk beter betaalde dan dat van matroos, stak het nog altijd schraal af tegen de totale winsten van het bedrijf. Net als de rest van de bemanning probeerden zij daarom waar mogelijk wat extra te verdienen. Het salaris van een koopman bedroeg naar schatting zo’n 80 gulden per maand. Voor de leden van de Raad van Indië was dit al viermaal zo veel en de Gouverneur-generaal kreeg de prinselijke som van 1200 gulden op zijn rekening bijgeschreven. Het fortuin dat veel van hen vergaarden kan onmogelijk puur van hun salaris afkomstig zijn geweest. De maatregelen ter bestrijding van corruptie waren ineffectief; meestal waren de officieren aan de top net zo corrupt als ‘jan matroos’.

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!