Geschiedenis van alcoholwetgeving

In het nieuwe regeerakkoord is vastgelegd dat de minimumleeftijd om alcohol te mogen drinken verhoogd wordt van zestien naar achttien jaar. Alcohol drinken is van alle tijden, de gevaren ervan zijn ook al eeuwen bekend. In de 19e eeuw werd er voor het eerst in Nederland een wet opgesteld die het gebruik van alcohol moest beperken.

Tot ver in de 19e eeuw was het drinken van jenever of bier vaak gezonder dan het drinken van water dat uit een pomp kwam. Alcohol drinken was wijdverspreid. In dezelfde eeuw kwam echter ook de discussie over het belang van beschaafd gedrag sterk opzetten, de Sociale Kwestie. In Nederland kwam in de jaren ’30 van de 19e eeuw de discussie op gang over wettelijke maatregelen om het alcoholgebruik onder de bevolking te verminderen. Vanaf die periode werd er in de landelijke politiek gedebatteerd over de mogelijkheid om het misbruik van sterke drank wettelijk te beperken. Er werden voorstellen gedaan om de verkoop van sterke drank te verbieden of in ieder geval op sommige dagen. Tot een wet kwam het echter nog niet.

Toename alcoholgebruik

In de jaren 50’, ’60 en ’70 van de 19e eeuw werd duidelijk dat de consumptie van sterke drank in Nederland sterk toenam. Waar het drankgebruik per hoofd van de bevolking in 1847 nog rond de vijf liter per jaar lag, was dit in 1874 gestegen tot negen liter. Hierdoor kwam het idee om een wet te maken die de consumptie van sterke drank zou verminderen weer naar de oppervlakte. Dit leidde tot de eerste wetsontwerpen die vooral openbare dronkenschap tegen zouden moeten gaan. Het beschermen van mensen tegen de gevaren van alcohol werd in deze tijd niet als een overheidstaak gezien, het ging de overheid puur om het handhaven van de openbare orde.

De Drankwet van 1881

In 1881 werd uiteindelijk de eerste Drankwet aangenomen, de wet tot beteugeling van het misbruik van sterke drank. In deze wet werd openbare dronkenschap en de verkoop van sterke drank aan kinderen onder 16 jaar strafbaar gesteld. Ook werd bepaald dat uitspanningen waar sterke drank verkocht werd een vergunning moesten vragen bij de gemeente. Aan het aantal te verlenen vergunningen werd een maximum verbonden, afhankelijk van het aantal inwoners in een gemeente. Over de verkoop en de consumptie van bier en wijn werd in de wet niet gesproken.

Bier en wijn

Twintig jaar later werd de wet aangepast. Hoewel de consumptie van sterke drank in de laatste decennia van de 19e eeuw was afgenomen, betwijfelde men sterk of dit iets te maken had met de Drankwet van 1881. Daarom werd in 1904 een nieuwe Drankwet aangenomen, waarin werd vastgelegd dat ook de plaatselijke handel in wijn en bier wettelijk geregeld zou worden, maar in tegenstelling tot bij steker drank werd er geen maximum verbonden aan het aantal verkoopvergunningen. In de decennia die volgden nam de alcoholconsumptie in Nederland af. Onder andere door toedoen van de Eerste Wereldoorlog stegen de prijzen van de grondstoffen die nodig zijn om alcoholische dranken te produceren. In 1931 werd de Drankwet opnieuw aangepast, maar de wijzigingen die werden doorgevoerd waren klein. Er werd vastgelegd dat er door gemeenten ook maxima gesteld mochten worden aan het aantal gelegenheden waarin bier en wijn verkocht werd,.

Drank- en horecawet van 1964

In 1964 werd een nieuwe wet ingevoerd. In deze Drank- en horecawet werd het maximum aantal gelegenheden waar drank verkocht kon worden, afgeschaft. In plaats daarvan moesten de verkooppunten van alcohol aan strengere eisen voldoen. In de wet is onder meer vastgelegd dat aan personen jonger dan 18 jaar geen sterke drank mocht worden verkocht en dat in gelegenheden waar alcohol verkocht werd geen dronken personen meer mochten worden toegelaten. In het voorstel voor de wet die in het nieuwe regeerakkoord wordt ingevoerd wordt dus vastgelegd dat de minimumleeftijd voor het drinken van alcohol, dus ook voor bier en wijn, naar 18 jaar wordt opgeschroefd.

Meer weten

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!