Edmund Husserl

Husserl en zijn fenomenologie: ‘terug naar de dingen zelf’

De Oostenrijks-Duitse filosoof Edmund Husserl (1859 – 1938) wordt door velen beschouwd als ‘de vader van de fenomenologie’. Met zijn ‘wezenswetenschap’ introduceerde de filosoof begin 20e eeuw een nieuwe benadering van kennis: voor échte kennis moeten we ‘terug naar de dingen zelf’. Wat bedoelde Husserl hiermee?

Overstap van de wiskunde naar de filosofie

Edmund Husserl werd geboren in 1859 in Proßnitz in Moravië (nu Prostejov, Tsjechië). Van 1876 tot 1878 studeerde hij wiskunde, natuurkunde en sterrenkunde in Leipzig. In 1878 schreef hij zich in aan de universiteit van Berlijn waar hij zijn wiskunde studies doorzette. Hier begon Husserl echter ook meer geïnteresseerd te raken in de filosofie. Na een korte militaire dienst vertrok Husserl in 1884 naar Wenen. Hier woonde Husserl de colleges bij van psycholoog en filosoof Franz Brentanto. Brentanto’s colleges over filosofische psychologie maakten een enorme indruk op Husserl en ineens vielen de puzzelstukjes op hun plaats. Husserl bedacht dat een studie naar het bewustzijn nodig was om filosofische problemen op te kunnen lossen – zoals het probleem waar Descartes zich in de 16e eeuw ook al mee bezig hield: hoe is kennis mogelijk?

Intentionaliteit

Husserls antwoord op de vraag hoe we kennis kunnen hebben is, kort gezegd, ‘intentionaliteit’. Hiermee borduurt hij voort op een begrip die afkomstig is van zijn grote inspirator Brentanto. Het idee van intentionaliteit houdt in dat het bewustzijn nooit leeg is: het is altijd gericht op iets en daardoor een bewustzijn van iets. Kennis is een bepaalde vorm van intentionaliteit: een verbintenis van het denken met de waarneming. Wanneer we waarnemen, zien we echter alleen ‘fenomenen’ en niet de ‘dingen op zich’; we zien de dingen alleen zoals ze aan ons verschijnen. Husserl wilde op zoek gaan naar een manier om de fenomenen toch ‘zuiver’, ofwel universeel, te kunnen beschrijven. Opmerkelijk genoeg zag Husserl dit als een taak voor de filosofie en hij was er niet van overtuigd dat de empirische wetenschap hiertoe in staat is.

Kritiek op het empirisme

De empirische wetenschap houdt zich alleen bezig met het werkelijk waarneembare: het kijkt naar concrete dingen in de wereld en hun samenhang. Maar de waarneming is een subjectief perspectief over de werkelijkheid, redeneerde Husserl. De ‘empirische waarnemer’ projecteert zijn altijd belangen, behoeftes en overtuigingen op de wereld. We nemen daardoor een object niet waar zoals het écht is. Zo zien we een stoel niet als een aantal plankjes hout, maar als een voorwerp waar we op kunnen zitten. Husserls kritiek op de empiristen is dat zij deze subjectieve bewustzijnsinhoud als grondslag zien voor universele kennis. Om tot wezenlijke en universele kennis te komen, heeft onze bewustzijnsinhoud een bewerking nodig, aldus Husserl. Deze bewerking gaf hij vorm in zijn ‘fenomenologische reductiemethode’.

Het ‘fenomenologische ik’ als een belangeloze toeschouwer

Volgens Husserl is het met behulp van een bewerking van de bewustzijnsinhoud – in de vorm van een aantal reducties - mogelijk om tot het wezen van objecten te komen. Door te reduceren, ofwel door al onze oordelen in te trekken, blijft in ons bewustzijn alleen het wezen van het fenomeen dat we waarnemen over. De fenomenologische, ‘zuivere waarnemer’ is de belangeloze toeschouwer die geen standpunt inneemt maar de dingen of fenomenen onbevooroordeeld op zich af laat komen. Door een ding op deze manier ‘tussen haakjes te zetten’ wordt hetgeen onthuld waarop empirische kennis berust: het wezen van het ding. 

Fenomenologie als ‘eerste wetenschap’

De taak van de fenomenologie luidt: ‘Zurück zu den Sachen selbst’ (terug naar de dingen zelf). Door -via een reeks reducties - de dingen kenbaar te maken zoals ze echt zijn, komen we pas tot de grondslag die kennis mogelijk maakt. De fenomenologie ontbloot het wezenlijke en dus universeel kenbare van fenomenen. Pas hetgene dat universeel kenbaar is kan een fundament zijn voor algemene kennis. Omdat de fenomenologie dit fundament aanreikt, waar alle andere wetenschappen op berusten, zag Husserl zijn wezenswetenschap als de ‘eerste wetenschap’.

Invloed

Vergelijkbaar met hoe Ludwig Wittgenstein sprak over zijn Tractatus, was Husserl ervan overtuigd dat met zijn fenomenologische methode niet alleen het probleem van kennis, maar uiteindelijk alle filosofische problemen opgelost kunnen worden. Tot zijn grote spijt slaagde Husserl er nooit in om een samenhangende fenomenologische school op te richten, omdat veel volgelingen gingen afwijken van zijn leer. Wel had Husserl een enorme invloed op de naoorlogse filosofie. Zo was hij een groot inspiratiebron voor het existentialisme van Sartre en Camus.

bronnen

afbeelding

Door Onbekend [Public domain], via Wikimedia Commons

Ook interessant: 

Onderwerpen: 

Lees Ons Amsterdam

Iedere maand meeslepende en prachtig geïllusteerde verhalen over de de geschiedenis van Amsterdam.

Ga mee op ontdekkingstocht naar archeologische vindplaatsen in binnen- en buitenland!

Ontdek Geschiedenis Magazine!

Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief. Het is gratis!