Prins Maurits

Maurits, militair genie

Maurits werd stadhouder van de Republiek in 1585, toen de Opstand niet erg voorspoedig verliep. Zijn passie lag bij de krijgskunst. Hij werd legeraanvoerder en liet het landsbestuur vooralsnog aan Oldenbarnevelt. Samen met zijn neef Willem Lodewijk van Nassau dook hij in oude Leidse studieboeken, oorlogsbeschrijvingen uit de oudheid. Mike Harmsen laat het resultaat zien: een revolutionaire nieuwe kijk op het slagveld die tot in de 19de eeuw is nagevolgd. 

Toen stadhouder Willem van Oranje in 1584 vermoord werd, bevond de Opstand zich in een hachelijke situatie. Vlaanderen en Brabant waren grotendeels in handen van Filips II, de Spaanse vorst en heer van de Nederlanden. Het leger van de Nederlandse Republiek (het staatse leger) leek niet opgewassen tegen het Spaanse onder de landvoogd de hertog van Parma. Wie moest Willem opvolgen? Maurits was zijn tweede zoon, maar wel degene die voor opvolging in aanmerking kwam omdat zijn oudere broer Filips Willem in gijzeling was genomen door de Spaanse koning. De Staten-Generaal van de Republiek vonden Maurits in 1584 met zijn zestien jaar echter nog te jong en wendden zich naar het buitenland – het stadhouderschap was immers niet per definitie erfelijk. Tevergeefs. 

Macht bleef bij Staten-Generaal

Na drie evenmin succesvolle jaren met de Engelse graaf van Leicester concludeerden de Staten-Generaal dat ze liever zelf de touwtjes in handen hadden en benoemden Maurits in 1587 tot legeraanvoerder. Hij was toen al stadhouder van Holland en Zeeland en later gunden ook Utrecht, Gelre en Overijssel hem deze titel. Friesland viel onder Maurits’ neef Willem Lodewijk van Nassau, die later ook benoemd werd tot stadhouder in Groningen en Drenthe. De politieke macht bleef echter bij de Staten-Generaal. Voornamelijk bij Johan van Oldenbarnevelt, de landsadvocaat van de rijkste en machtigste provincie, Holland. Maurits had de hoogste adellijke rang in de Republiek en in de 16de eeuw was afkomst nog van het hoogste belang. ‘De jongen was [daarbij] moedig, voortvarend, schrander, met een sympathiek voorkomen begiftigd en voor zijn leeftijd zeer ontwikkeld,’ zoals de Engelse spion William Herle hem beschreef. Maurits was een ideaal boegbeeld en was – anders dan zijn vader–ook geen raspoliticus. Maurits was een soldaat en deelde zijn passie voor de krijgskunst met zijn neef Willem Lodewijk. De twee waren vrienden, maar verschilden zeer. Waar Willem Lodewijk kuis was, was Maurits een rokkenjager – trouwen zou hij nooit. Het militaire bond hen echter. Samen hadden ze in Leiden wiskunde en geschiedenis gestudeerd en deze vakken zouden ze gaan gebruiken om een revolutie los te laten op het staatse leger.

Willem van Oranje wilde meer piekeniers

De twee begonnen hun carrière in de hoogtijdagen van de piekeniers. In de middeleeuwen domineerden ridders te paard het slagveld, maar zij konden niet op tegen de piekeniers die eind 15de eeuw hun opwachting maakten: een grote massa goed georganiseerde infanteristen bewapend met een zes meter lange stok met daarop een metalen piek. De piek was eigenlijk een herontdekt klassiek wapen. Alexander de Grote veroverde er een wereldrijk mee en vanaf omstreeks 1500 waren piekeniers heer en meester op het slagveld. Voor de situatie in de Republiek tijdens de Opstand lag dit moeilijk. Net als elders waren de soldaten niet rechtstreeks in dienst van de staat. Het waren huurlingen die zelf hun wapens moesten aanschaffen en onderhouden. Voor de keus gesteld prefereerden veel militairen hier vuurwapens boven pieken omdat ze er beter mee uit de voeten konden in het Hollandse en Zeeuwse landschap. Polders waren met hun struiken, sloten en dijken geen plek voor grote veldslagen met piekeniers, die altijd wat meer manoevreerruimte nodig hebben. Soms was deze voorkeur echter fataal, bijvoorbeeld bij de ontzetting van de belegerde stad Haarlem in 1572. Die mislukte volkomen omdat er onvoldoende getrainde piekeniers waren. Daarom vaardigde Willem van oranje in 1575 een bevelschrift uit dat minimaal 35 procent van de huursoldaten bewapend moesten zijn met pieken.

Maurits wil juist vuurwapens

Gek genoeg was legeraanvoerder Maurits van plan deze trend terug te draaien. Hij gaf toch de voorkeur aan schutters. Dat konden in principe manschappen met boogwapens zijn, maar in zijn tijd betrof het steeds vaker vuurwapens, op de markt vanaf ca 1400. Dit lijkt op het eerste gezicht logisch: vuurwapens hadden een groter bereik dan pieken of de eerder veelgebruikte longbow (een lange handboog) en kruisboog. Daarnaast was het aantrekkelijk oorlogstuig met die schrikwekkende imposante knallen en rook. De Nederlandse vuurwapens konden op het open slagveld alleen helemaal niet op tegen de massieve blokken Spaanse piekeniers die onhoudbaar optrokken. Geen enkel vuurwapen schoot namelijk meer dan één schot per twee minuten. Dit kwam door de laadtijd. Hierbij moesten achtereenvolgens buskruit, watten, kogel en weer watten in de loop worden aangestampt met een laadstok. Vervolgens moest de kruitpan in positie worden gedraaid aan de achterkant van de loop. Overhalen van de trekker plaatste een smeulende lont in deze pan waarop deze ontplofte. Ten slotte ontplofte via een opening in de loop de hoofdlading. Er kon veel misgaan. Te veel of te weinig kruit, wind, regen of een verkeerde volgorde, dat alles kon roet in het eten gooien. Bij een charge van piekeniers konden de schutters vaak slechts vluchten als ‘eende-kuyckens’, aldus Adriaen Duyck in zijn Instructie van de crijchs-oorts stellinghe (1588), een van de eerste Nederlandstalige militaire werken.

Geïnspireerd door de klassieken

Als vuurwapens eigenlijk niet handzaam waren op het slagveld, waarom koos Maurits er dan voor? Het antwoord komt uit zijn studietijd. Aan de universiteit van Leiden doceerde Justus Lipsius, een expert in de militaire geschiedenis van de oudheid. Hij wees zowel Maurits als Willem Lodewijk op het voorbeeld dat de Grieken en Romeinen konden zijn voor het Nederlandse leger. Hij doelde op het feit dat er toen staande legers waren: een leger in dienst van de staat, dat het hele jaar door werd getraind. De West-Europese legeraanvoerders stopten met deze aanpak na de val van het Romeinse Rijk in de 5de eeuw. Ze contracteerden huurlingen die in het voorjaar vochten en in de winter werden afgedankt. De soldaten waren vaak ongedisciplineerd en onbetrouwbaar. En zo was het eind 16de eeuw in de Republiek nog steeds. ‘Trainen en discipline bijbrengen’ werd daarom de toverformule toen Maurits verantwoordelijk werd voor de oorlogsvoering in de Opstand. Neef Willem Lodewijk vond inspiratie in het werk van de Griekse schrijver Aelianus. In zijn Tactische theorie (ca 106 n. Chr.) beschreef hij de strijdwijze, dril en exercities van de Macedonisch-Hellenistische legers, zoals die van Alexander de Grote. De Grieken hadden hun bevelsstructuur volledig uitgewerkt, zodat formaties op commando allerlei bewegingen konden maken, zoals keren en gelederen openen en sluiten. Maurits verdiepte zich intussen in de Historiae van de Romein Polybius, over de Tweede Punische oorlog (218-201 v.Chr.). Hij kwam erachter dat de Romeinen gebruikmaakten van kleinere formaties soldaten dan de Griekse falanx, zogenaamde manipels van 160 man. Drie manipels vormden één cohort en tien daarvan een legioen. De cohorten stonden als vlakken van een schaakbord opgesteld, drie ‘vlakken’ diep diagonaal achter elkaar.

De revolutionaire vinding van het salvovuur

Vanaf 1592 brachten Maurits en Willem Lodewijk hun boekenkennis in de praktijk: het Staatse leger ging trainen in bataljons op ‘draijen, wenn[d]en, aff-ende aentrecken van de bataillons sonder haer order te breecken,’ aldus Anthonis Duyck, die Maurits als hoofd van de Raad van State vergezelde op zijn militaire campagnes tussen 1591 en 1602 en hier een journaal van bijhield. Een regiment bestond uit drie van deze bataljons, elk van zo’n achthonderd man, met voortaan zowel piekeniers als schutters. Voor het eerst werden onderofficieren gebruikt voor elk bataljon, die net als de Romeinse cohorten in schaakbordvorm werden opgesteld. Zij konden nu zelfstandig opereren en mocht een bataljon op de vlucht slaan, dan stond er een ander bataljon vlak achter om het gat te vullen. Maar gedisciplineerd trainen onder leiding van drilkapiteins alleen was niet voldoende om de piekeniers op het slagveld te verslaan. De ware militaire revolutie van Maurits en Willem Lodewijk was het salvovuur, en ook hier was de klassieke literatuur de inspiratiebron. Willem Lodewijk raakte bij het lezen in de Tactische theorie van Aelianus specifiek geïnteresseerd in de contramars. Hiermee kon de gehele Griekse falanx snel draaien door per rij rechtsom weg te lopen en als een groep dansers op een toneel weer achteraan aan te sluiten. Willem Lodewijk schreef in 1594 een brief aan zijn neef dat de schutters door de exercities nu in staat waren per rij tegelijk te vuren, en dat de contramars hem op het idee gebracht had hoe de rij erachter ook direct in stelling te brengen. Op commando zou de eerste linie schieten en naar achteren lopen en herladen. De tweede linie zou vervolgens schieten en ook naar achteren lopen. De derde zou hierop volgen. ‘Also aleer die leste gleder [laatste gelederen] affgeschoeten hebben, het erste weder geladen heft,’ schreef Willem Lodewijk. Het salvovuur was geboren. Met de constante stroom kogels die nu binnen bereik lag, was eindelijk een cavalerie- of piekenierscharge af te slaan. Schutters hoefden zich niet meer in dekking op te stellen maar  konden aanvallen. Maurits liet zijn soldaten hiervoor het hele jaar, ook in het winterseizoen, schieten en trainen op de bijbehorende gestandaardiseerde bevelen. Hij stuurde inspecteurs langs de troepen om te controleren of ze wel oefenden.

Spanjaarden nu te verslaan

Met de nieuwe vuurtactieken was de Nederlandse Republiek in staat om op het slagveld het Spaanse leger te verslaan. Ironisch genoeg kwam dit buiten de slag bij Nieuwpoort van 1600 nooit meer voor. De Nederlanden behoorden met hun vele vestingsteden tot de dichtstbevolkte gebieden in Europa. Er was amper ruimte voor veldslagen. Daarbij waren de Spanjaar den huiverig voor zo’n krachtmeting met het nieuwe leger van Maurits. Het was echter vooral Maurits zelf die veldslagen vermeed. Hij vond ze veel te riskant met hun chaotische verloop en onverwachte uitslagen. Hij wilde er het leven van zijn mannen niet aan wagen. Maurits wist namelijk wat soldaten moesten doorstaan en was eerder een van hen dan een rijke edelman. Hij sliep in een tent bij zijn troepen en leidde altijd vooraan. Eén keer bij Steenwijk in 1592 kostte hem dit bijna zijn leven, toen een kogel zijn wang doorboorde. Hij was zacht en toegeeflijk naar zijn mannen en stond erop dat zij altijd op tijd hun soldij kregen, al kon hij ontucht genadeloos streng bestraffen. Maurits legde zich daarom liever toe op een andere strategie, waar hij heel goed in was: het belegeren van steden. In 1590 viel Breda door de beroemde list met het turfschip, in 1594 Groningen en Maurits rondde zijn successen af in 1604 met de inname van Sluis. Doordat de Spaanse krachten ook nog eens uitgeput raakten door een interventie in Frankrijk, kwam er in 1609 een wapenstilstand: het Twaalfjarig Bestand. Tijdens het bestand maakte een onderlinge strijd met Johan van Oldenbarnevelt dat Maurits eerste politicus van het land werd. Hij heeft het nooit gekund, noch gewild. De man die de Opstand uit het slop haalde, stierf in 1625. Zijn gloriejaren lagen toen al ver achter hem. Het innovatieve salvovuur zou echter nog tot halverwege de 19de eeuw de Europese slagvelden domineren.

In Geschiedenis Magazine 8 van 2016 lees je meer over Prins Maurits en zijn militaire overwinningen. Bestel dit nummer hier na

Leestip:

Maurits militair genie‘Staat van oorlog’ – Wapenbedrijf en militaire hervorming in de Republiek der Verenigde Nederlanden, 1585-1621
Auteur: Michiel de Jong
ISBN: 9789065507921
Uitgever: Verloren
Prijs: €39,–

Bestel 'Staat van oorlog'

 

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!