democratie stemmen gemeenteraadsverkiezingen

Plato, Rousseau en Mill over de democratie

Veel filosofen hebben door de eeuwen heen hun hersenen gekraakt over de vraag welk politiek bestuurssysteem een staat  het beste dient. Wat voor gedachtes hadden Plato, Rousseau en Mill  over het concept democratie? 

Plato: koning-filosofen

In Politeia (omstreeks 380 v.Chr.)  gaf de Griekse filosoof Plato een sterk argument tegen het idee van democratie.  Stel, je bent ziek. Dan wil je geholpen worden door een expert, ofwel een dokter. Het laatste wat je zou willen is het bij elkaar rapen van een menigte en hen laten stemmen wat de beste remedie is . Plato beweerde dat dit ook geldt voor de gezondheid van de staat. De staat moet geregeerd worden door mensen die getraind zijn om een staat te besturen. Daarom zag Plato de democratie als een van de slechtste staatsvormen: hierin wordt een staat bestuurd door het ‘plebs’, een onwetende massa. De samenleving moest volgens Plato  geregeerd worden door een select aantal personen die veel algemene wijsheid bezaten: filosofen.

Kritiek op Plato’s systeem

Door critici wordt Plato’s systeem gezien als een vorm van dictatuur. In Plato’s model  ligt de macht bij slechts een paar individuen. Er is niemand die de koning-filosofen kan stoppen om het bestuur compleet naar alleen hun eigen voordeel in te richten. Naast het feit dat er in Plato’s systeem het gevaar van despotisme schuilt, wordt er ook geen goed antwoord gegeven op de vraag hoe  een bestuurder wordt uitgekozen. Het is bij Plato niet duidelijk hoe er wordt bepaald wie er wel en niet in de regering terecht komt. Plato geeft ook geen bevredigend antwoord op deze vraag: zelfs als de koning-filosofen goede bedoelingen hebben, hoe komen zij te weten wat de behoeftes zijn van het volk als het volk geen inspraak heeft?

Rousseau ‘s  directe democratie

Het stemrecht geeft een burger zeggenschap, maar het is tegelijkertijd ook een middel waarmee burgers kunnen uitdrukken waar ze behoefte aan hebben. Deze conclusie trok verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Rousseau was het met Plato eens dat politieke beslissingen moeten worden gemaakt door mensen die er verstand van hebben. De Franse denker vond echter niet dat slechts een kleine groep geleerden zich over het bestuur van de staat moesten ontfermen. Rousseau vond dat het volk zichzelf moest regeren. Een  goede opleiding voor elke staatsburger was volgens Rousseau daarom noodzakelijk. Hiermee loste hij het probleem van de onwetende massa op, tevens zou een juiste educatie leiden tot de ontwikkeling van een ‘algemene wil’. Als iedereen dezelfde behoeftes heeft dan handelt iedereen in het belang van de samenleving, zo redeneerde Rousseau. Rousseau bedacht dat het wel nodig was dat de - door het volk direct gekozen - wetten moesten worden gehandhaafd door een bestuur. Deze groep bestuurders zou dan echter alleen de macht hebben om de wetten uit te voeren, en niet de macht om zelf wetten opstellen – zoals bij Plato.

Mill’s representatieve democratie 

Er zijn fascistische of totalitaristische elementen te vinden in Rousseau ’s denken. Het opleggen van een soort training zodat iedereen op een bepaalde manier gaat denken is eigenlijk een vorm van indoctrinatie.  De prijs die we in Rousseau ‘s politieke systeem betalen voor gelijkheid is te hoog: wat we ervoor inleveren zijn onze individuele vrije gedachtes. De Engelse filosoof John Stuart Mill (1806 - 1873) draaide dit om: in zijn liberalisme wordt gelijkheid deels opgeofferd voor zoveel mogelijk (economische) vrijheid.  Net zoals Plato dacht Mill dat het in een staat mis gaat wanneer de grote massa hun gang kan gaan.  Daarom was hij geen voorstander van een directe democratie. Wel vond hij dat elke burger een rol zou moeten spelen in het bestuur van een land. Mill pleitte daarom voor een representatieve democratie: je stemt op een persoon of een partij die in het bestuur jouw  belangen vertegenwoordigt. Mill voorzag hierbij wel een van de grootste gevaren van het democratisch systeem: ‘de tirannie van de meerderheid’.

De tirannie van de meerderheid

De uitspraak ‘tirannie van de meerderheid’ leende Mill van een goede vriend, Alexis de Tocqueville (1805 – 1859). Mill zag in dat mensen vaak puur voor hun eigen belang stemmen en niet voor het algemene goed. Hierdoor kunnen in een democratie de behoeftes van een minderheid onderdrukt worden door de wil van de meerderheid. Mill’s oplossing hiervoor is niet een door de overheid opgelegde indoctrinerende opleiding à la Rousseau, maar juist een verkleining van de macht van de overheid. De vrijheid die men heeft door weinig bemoeienis van bovenaf zorgt ervoor dat een individu altijd de macht heeft om zijn behoeftes te bevredigen en zijn eigen doelen te bereiken. 

De waardes van de democratie

De intrinsieke waardes die in een democratisch systeem worden uitgedrukt zijn zowel vrijheid als gelijkheid. Mensen zijn vrij omdat ze een eigen zeggenschap hebben in politieke besluiten en de gelijkheid zit in het feit dat iedereen deze vrijheid heeft. Het dispuut tussen de politiek filosofen over de democratie toont dat het lastig is om deze beide waarden in één werkend systeem te handhaven. In ons land is de discussie over hoe de democratie eruit zou moeten zien nog niet ten einde. Een discussie in Nederland was bijvoorbeeld de vraag of er wel of geen referenda moesten worden gehouden.

bronnen

  • Wolff, J. (2006). An introduction to political philosophy. Oxford University Press, USA.

afbeelding

Nationaal Archief: Fotocollectie Anefo. 8 november 1978, Hoorn, Noord-Holland

 

Meer weten

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!