Van Houten kinderwetje kinderarbeid

Van kinderarbeid via leerplicht naar recht op onderwijs

Vandaag kan bij veel VMBO-scholieren de vlag uit: de uitslagen van de examens worden bekend. Morgen volgen de examenuitslagen van de HAVO en het VWO. De meeste scholieren gaan naar een vervolgopleiding. De leerplichtwet verplicht kinderen immers om tot hun 18e jaar onderwijs te volgen. De eerste leerplichtwet in Nederland werd op 1 januari 1901 van kracht.

Voor die tijd kwam leerplicht eenvoudig niet voor. Kinderen gingen naar school als hun ouders dat konden betalen. Voor veel kinderen was onderwijs er dus niet bij. Sterker nog. Voor 1874 was kinderarbeid in Nederland doodnormaal. Door de groeiende industrialisatie werkten kinderen soms vanaf hun vijfde jaar in de fabriek. Ook werkten veel kinderen in de landbouw.

Kinderwetje van Van Houten

Vanaf de jaren ’30 van de 19e eeuw groeide met name de textielindustrie. Thuisnijverheid werd steeds meer vervangen door fabrieksproductie. Uiteraard had dat sociale gevolgen, en de hele 19e eeuw door werd hierover politiek gediscussieerd. Enerzijds waren er mensen die vonden dat kinderarbeid te vergelijken was met de, eveneens bekritiseerde, slavernij. Zij wilden het verbieden. Anderzijds dachten anderen dat ouders de inkomsten van het werk van hun kinderen niet zouden kunnen of willen missen. Zij pleitten voor andere maatregelen, zoals verplichte lessen in de fabriek. Terwijl in Nederland de discussie doorging werden in landen als Engeland, Zweden en Duitsland de eerste wetten tegen kinderarbeid van kracht. In 1874 diende de liberale politicus Samuel van Houten een wetsvoorstel in, waardoor het kinderen tot 12 jaar verboden werd in fabrieken te werken. Het debat duurde vijf dagen, maar uiteindelijk werd de wet aangenomen. De wet gold alleen voor fabrieksarbeid. Kinderarbeid op het land bleef wel toegestaan.

Groeiende leerplicht

In 1900 volgde de wet op de leerplicht. Door deze wet moesten kinderen van 6 tot 12 jaar verplicht onderwijs volgen. Opnieuw waren de kinderen die in de landbouw werkten de uitzondering: boerenkinderen mochten tijdens de oogsttijd thuis blijven om te helpen oogsten. Een andere uitzondering waren meisjes: die mochten thuis gehouden worden om het gezin te verzorgen. De eerste leerplichtwet werd met één stem verschil (50 om 49) aangenomen. Verschillende groepen in het parlement waren niet tevreden. Voor de christelijke partijen hing het probleem samen met de schoolstrijd: (het recht op bijzonder (=christelijk) onderwijs dat uiteindelijk artikel 23 van de grondwet werd). De socialisten vonden de wet ontoereikend. De wet werd in de loop van de 20e eeuw nog enkele keren aangepast. In 1969 werd de leerplichtperiode verlengd naar 9 jaar. Ook werd toen de leerplichtambtenaar aangesteld, die toezicht moest houden op de naleving van de wet. In 1975 werd de leerplichtperiode nog eens verlengd, naar 10 jaar en werd toegevoegd dat een kind na 10 jaar nog gedeeltelijk leerplichtig (2 dagen per week) is tot en met het schooljaar waarin het kind 17 is geworden. Ook werd bepaald dat meerderjarigheid geen reden meer was om aan de leerplicht te ontkomen. Dit laatste werd toegevoegd omdat steeds meer allochtone meisjes voor hun 18e trouwden en zo voor de wet meerderjarig werden en niet langer leerplichtig waren. In 1985 werd het begin van de leerplicht vervroegd naar vijf jaar.

Bevochten recht op onderwijs

Wat als leerplicht begon, werd in de loop van de ontwikkelingen steeds meer een leerrecht. In 1990 werd het recht op onderwijs door de verenigde Naties opgenomen in het Verdrag inzake de rechten van het kind. In artikel 28 (Onderwijs) staat: Het kind heeft recht op onderwijs. Basisonderwijs is voor ieder kind gratis en verplicht. De overheid zorgt ervoor dat het voortgezet - en beroepsonderwijs toegankelijk is voor ieder kind, in overeenstemming met zijn of haar leerniveau. De overheid pakt vroegtijdig schooluitval aan. De handhaving van de discipline op school moet de menselijke waardigheid en kinderrechten respecteren. International samenwerking is nodig om analfabetisme te voorkomen. Artikel 29 (onderwijsdoelstellingen) vervolgt: Het kind heeft recht op onderwijs dat is gericht op: de ontplooiing van het kind; respect voor mensenrechten en voor de eigen culturele identiteit, de waarden van het eigen land en van andere landen; vrede en verdraagzaamheid; gelijkheid tussen geslachten; vriendschap tussen alle volken en groepen en eerbied voor het milieu. Iedereen is vrij om een school naar eigen inzicht op te richten met inachtneming van deze beginselen en de door de overheid vastgestelde minimumnormen voor alle scholen. De meeste scholieren die vandaag hun examenuitslag krijgen beseffen het misschien niet, maar de tas in de vlaggenmast benadrukt een recht dat voortvloeit uit jarenlange strijd. Een recht dat voor velen elders in de wereld nog steeds niet vanzelfsprekend is.

Afbeeldingen:

  • Afbeelding: Elias Spanier (printer), Dirk Anthonie Thieme & Martinus Nijhoff (publishers) [Public domain], via Wikimedia Commons
Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!