België-Nederland en de strijd om Limburg

Nadat koning Willem I in 1839, negen jaar na de Belgische opstand, eindelijk het scheidingsvoorstel ondertekende, laaiden de gemoederen in België opnieuw op. Door het verdrag werd Oost-Limburg bij Nederland gevoegd. Belgen − én Limburgers − verzetten zich hiertegen. De laatste negen jaar was het gebied, op Maastricht na, deel van België geweest.

Herman Clerinx

Voor koning Willem I was het een pijnlijke verrassing dat de grote mogendheden −Pruisen, Oostenrijk, Rusland, Groot-Brittannië en Frankrijk − in 1831 het ontstaan van het nieuwe België aanvaardden. Het Verenigd Koninkrijk was na de Napoleontische periode als een buffer tegen Frankrijk opgericht, maar amper vijftien jaar later accepteerden de mogendheden dat het werd gesplitst, de overtuigende successen van Nederlandse troepen tijdens de Tiendaagse Veldtocht van zomer 1831 ten spijt. Het Verdrag van Londen van 15 november 1831 stelde de nieuwe grenzen tussen België en Nederland vast. Het oostelijk deel van Luxemburg, het huidige Groothertogdom, en het oosten van Limburg zouden onder het gezag van Willem blijven. De westelijke delen van deze provincies gingen naar België.

[caption id="attachment_47040" align="alignnone" width="376" caption="Gezicht op Maastricht in 1846. Links Fort Sint-Pieter, gebouwd in 1702 op de strategisch gelegen St. Pietersberg. Dit was een van de punten van waaruit na 1839 de grens tussen Nederland en België werd uitgemeten. Tekening van P.J. G. van Gulpen (detail), Rijksarchief Maastricht.                             (Bron: Geschiedenis Magazine)"] Geschiedenis Magazine)[/caption]

De Belgen aanvaardden deze regeling, maar Willem weigerde. Hij hoopte dat Pruisen en Oostenrijk hem zouden helpen de eenheid van zijn land te herstellen of op zijn minst om hem heel Limburg terug te geven. Dat was immers een aantrekkelijke regio: grote delen bestonden uit vruchtbare landbouwgrond en het zuiden sloot naadloos aan bij het industriegebied van Luik. In tegenstelling tot Holland was de Industriële Revolutie daar al volop aan de gang, een gegeven waarvoor Willem, de ‘koning-koopman’, bijzonder gevoelig was.

Zolang Willem weigerde het Verdrag van Londen te aanvaarden, zaten de onderhandelingen in het slop. Op Maastricht na hoorde heel de provincie Limburg tot het nieuwe België. Om te voorkomen dat deze situatie tot een voldongen feit zou uitgroeien, legde Willem zich op 14 maart 1838 bij het onvermijdelijke neer en aanvaardde de regeling van 1831. Die werd vertaald in het Verdrag van de 24 Artikelen, dat oostelijk Luxemburg en Limburg aan Nederland moest teruggeven.

Diplomatiek gemompel 

Toen het verdrag bekend raakte, laaiden de angst en verontwaardiging in België, en nog meer in Limburg, hoog op. Na negen jaar onafhankelijkheid hadden de Belgen geen enkele zin om die gebieden weer af te staan. Limburg op zijn beurt was in het nieuwe België geïntegreerd. Veel Limburgers hadden in 1830 met de Belgische opstand meegedaan en hun sentimenten waren niet veranderd. Ze woonden liever in het katholieke België dan in het protestantse Holland, waar ze zich nauwelijks gewaardeerd voelden. De Nederlands-Limburgers wilden een apart statuut voor hun provincie, los van het ‘arrogante Holland’. De afkeer was bovendien wederzijds, want in Nederland werd gemopperd dat Limburg slechts een jammerlijke strook grond was, een uitwas van het land. 

Overal werden petities rondgestuurd. Menige Nederlands-Limburgse gemeente schreef een smeekbede naar Leopold, de eerste koning der Belgen, met het verzoek ‘dat het Uwe Majesteit nooit zal behagen ons van onze overige broeders te scheiden’. Graaf Jean Baptiste de Marchant d’Ansembourg uit Amstenrade, een kerkdorp bij Hoensbroek, snelde met een karos naar Parijs om Franse hulp te vragen. Het kon niet, zei hij, dat men oostelijk Limburg van België zou afnemen en daardoor ‘350 000 Belgen onder een ondraaglijk juk’ zou drijven. Frankrijk voelde zich echter niet geroepen om voor België een conflict met de andere mogendheden uit te lokken en beperkte zich tot wat diplomatiek gemompel. 

Bernard Dibbets, patriot en piespaal

Tijdens de Belgische Revolutie was luitenant-generaal Bernard J.C. Dibbets provinciaal commandant van Maastricht. Terwijl bijna heel Limburg zich bij de Belgen aansloot en ook de Maastrichtenaren ‘de Hollanders’ liever zagen ophoepelen, hield Dibbets hardnekkig stand en behield zo de stad voor Nederland. Met ijzeren hand trotseerde hij de Belgen en dwong de bevolking hem te volgen. Met zijn garnizoen van 6000 soldaten voor een bevolking van 20.000 inwoners wist hij een jarenlang beleg van Maastricht te doorstaan. Dibbets was minder bang voor een aanval van de Belgen dan voor verraad uit de stad zelf. Door het beleg beleefde de stad jarenlang slechte tijden en het gedrag van de soldaten, volgens menige Maastrichtenaar ‘heuse kolonialen’, maakte het er niet beter op. Het dwarsbomen van Dibbets was dan ook een algemeen tijdverdrijf. De meeste moeilijkheden kreeg hij met de katholieke geestelijkheid, die nog onder de bisschop van Luik ressorteerde. Zo zag Dibbets zich ooit gedwongen om de opstandige kapelaan van de Sint-Servaas- parochie uit Maastricht te verbannen. Deze maakte van zijn vertrek een ware triomftocht. In zijn liturgische kleren trok hij door alle belangrijke straten naar de stadspoort. Onderweg zegende hij de burgers die hem massaal toejuichten. Dibbets moest tandenknarsend toekijken. 

 Geschiedenis Magazine)Toen in 1839 de stad ‘bevrijd’ werd, maakte Willem I hem baron, maar de waardering van de bevolking kreeg Dibbets daarmee niet. De Maastrichtenaren hebben altijd geweigerd om een straat of zelfs maar een steegje naar hem te vernoemen. Het praalgraf met monument dat de koning na Dibbets’ overlijden in 1839 liet neerzetten bij de vestingswerken ten noorden van de stad, diende Maastrichtenaren vele jaren lang letterlijk als piespaal op de wandeling na de zondagsmis. Daarna vierden ze hun heldendaad in een stadscafe.

In 1925, dus bijna een eeuw na Dibbets optreden, moest zijn praalgraf wijken vanwege het slopen van de vestingwerken. De gemeenteraad vergaderde de hele nacht over een voorstel om het graf te verplaatsen naar het parkje waar ook zijn opvolger lag. Het werd met 16 tegen 10 stemmen verworpen. Maastricht voelde zich niet geroepen Dibbets enige eer te betuigen, zo stelden de raadsleden. In 1927 heeft de rijksoverheid ’s nachts in alle stilte het praalgraf overgebracht naar het voorplein van de plaatselijke kazerne op de Prins Bisschopssingel in Maastricht. Dit was grond van de nationale overheid, waar de stad niets te zeggen had. Het monument staat er nog altijd, veilig beschermd achter twee hekken en enkele rollen prikkeldraad.

De beenderen van Dibbets werden bij deze verhuizing overigens niet teruggevonden. Toen het eerste graf werd opgericht, deponeerden de gemeentewerkers die Dibbets’ stoffelijke resten moesten begraven, die als protestdaad namelijk niet pal onder maar een tikkeltje opzij van het monument. Bovendien was het gat meters diep, zodat iedereen zeker kon zijn dat Dibbets nooit meer uit zijn graf zou opstaan. De werklui kweten zich zo grondig van hun taak dat de resten in 1927 onvindbaar waren. Later ging ook de juiste ligging van de oorspronkelijke begraafplaats verloren. Men vermoedt die in de buurt van de Noorderbrug. Om een en ander goed te maken heeft Maastricht in 2006 tegen een pijler van deze brug een gedenkplaat met zijn naam gehangen.

 

Ook koning Leopold I zocht een oplossing. Even dacht hij er zelfs aan met de steun van bankier Rothschild Neder- lands-Limburg te kopen. Toen het Belgische parlement in 1839 het verdrag moest bespreken, werd de ene hartstochtelijke speech na de andere gedebiteerd. Eén volksvertegenwoordiger kreeg het zo beroerd dat hij op het spreekgestoelte in elkaar stortte en de geest gaf.

Toch keurde het parlement in Brussel uiteindelijk het verdrag goed. Er zat niets anders op: de grote mogendheden maakten duidelijk dat het rebelse België zich moest plooien naar wat internationaal werd beslist, want anders kon heel de onafhankelijkheid worden teruggedraaid.

[caption id="attachment_47042" align="alignnone" width="376" caption="Over Limburg is ook in de 20ste eeuw nog gesteggeld. Als compensatie voor de geleden verliezen tijdens de Eerste Wereldoorlog eiste België het op, samen met Zeeuws-Vlaanderen en de Schelde. Op de Vredescon- ferentie in Parijs in 1919 werd dit voorstel echter afgeblazen. Op de foto demonstranten die zich tegen het Belgische streven verzetten.                (Bron: Geschiedenis Magazine)"] Geschiedenis Magazine)[/caption]

 

Schootsafstand

Op 19 april 1839 werd in Londen het officiële scheidingsverdrag ondertekend. Afgesproken werd dat men zou terugkeren naar de grenzen van 1790, dus naar de toestand van voor de Franse Revolutie. Maar zowel België als Nederland konden of wilden de oude grenzen niet overal respecteren. Een commissie voor de grensscheiding, waarvan de leden door de twee koningen werden benoemd, moest zich erover buigen.

Her en der kwamen er grenscorrecties. Soms gebeurde dat om praktische redenen, bijvoorbeeld om een enclave af te schaffen. Maar meestal hadden de correcties een andere bedoeling, met name om een gehucht, een vruchtbaar stuk wei of een rijke boerderij te bemachtigen. Het dorp Luyks Gestel (nu Luyksgestel in Noord-Brabant) en de stad Weert, die eeuwenlang in de zuidelijke Nederlanden hadden gelegen, werden geruild voor onder meer Lommel, Vroenhoven en Maasmechelen (nu Belgisch-Limburg). Een stukje van Sippenaeken (nu Sippenaken), een dorp bij Vaals maar in de provincie Luik, verhuisde naar Nederlands-Limburg omdat het tot de Franse Revolutie bij het historische hertogdom Limburg had gehoord. Zonder dit stukje Sippenaeken zou Nederlands-Limburg geen enkele band met dat hertogdom hebben, en dat wilde men vermijden. Om politieke redenen wilde Willem zich immers ook ‘hertog van Limburg’ kunnen noemen. In de buurt van vestingsteden als Maas- tricht negeerde de commissie bijna overal de oude dorps- en gemeentegrenzen. Daar werd de grens op schootsafstand van de kanonnen vastgesteld zodat elke Belgische soldaat die het in zijn hoofd zou halen ook maar één voet op Nederlandse bodem te zetten, meteen kon worden neergemaaid. De schootsafstand werd omschreven als 1200 toises, een oude lengtemaat die samenvalt met de afstand tussen de vingertoppen van je twee handen wanneer je armen gestrekt zijn. Dit komt overeen met ongeveer twee meter, zodat de ‘schootsafstand’ ongeveer 2400 m bedroeg. 

Maar zelfs met die afspraak waren ze er nog niet. Want waar moesten ze beginnen met meten? Vanaf de buitenmuren van een bastion of fort? Of liever vanaf de buitenzijde van de wal rond het fort? Of vanaf het centrum van het gebouw? Opnieuw gaf dit aanleiding tot gesteggel en soms tegenstrijdige oplossingen. De discussies gingen over stukjes van hooguit veertig meter.

In 1843, na vier jaar touwtrekken, werden de commissieleden het eens. Eindelijk konden de grenzen worden opgemeten en mochten arbeiders de grenspalen heien. Elke paal kreeg een apart nummer. Nummer 1 werd op het vierlandenpunt in Vaals gezet, het snijpunt tussen Duitsland, Nederland, België en Moresnet (hier was een rijke zinkmijn die alle omringende landen wel wilden hebben, reden waarom er een apart staatje van was gemaakt dat door de buren werd beheerd. In 1919 werd het deel van België). Toen paal nummer 369 bij de Noordzee was gezet, kreeg Nederland zijn vorm die het, op enkele grenscorrecties na, tot vandaag heeft behouden.

Auteur Herman Clerinx is freelance publicist uit Belgisch-Limburg, gespecialiseerd in archeologie, volkskunde en geschiedenis.

 

Dit artikel is afkomstig uit:

Titel: Geschiedenis Magazine
Jaargang: 2008
Nummer: 3
Uitgever: Virtúmedia

Meer weten

Tijdschriften: