Internationaal hof van justitie tijdens de Tweede Wereldoorlog

Arrestaties en een strikte grens

In het jaar 1942 groeit de druk op Van Eysinga en het Hof. De eerder opgestelde nota valt begin dit jaar in handen van de Sicherheitspolizei, wat leidt tot de arrestatie van één van de auteurs – een voormalig student van Van Eysinga. Later dit jaar, nota bene op de verjaardag van zijn vrouw, krijgt hij te horen dat zijn zoons, Dirk en Tjalling, en hun schoondochter gevangen zijn genomen. Zij zullen enige maanden doorbrengen in kamp Amersfoort.

Deel twee van een artikel over het Permanente Hof van Internationale Justitie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Lees hier deel één.

Van Eysinga zal in de oorlog altijd een strikte grens trekken om het extraterritoriale. Want als ik daarmee ophoud, vindt hij, dan houdt alles op. Op 23 juni verzet hij zich dan ook tegen het opmerkelijke plan van Otto Bene om een Germaans Instituut in het Vredespaleis te vestigen. Tijdens een vergadering met de Carnegie Stichting voert Van Eysinga aan dat het Vredespaleis is opgericht met als doel: de studie en onderhoud van internationaal recht. Voor een dergelijk instituut is daarom geen ruimte. De Carnegie Stichting gaat mee in zijn opvattingen en deelt deze met het Duitse gezag. Uiteindelijk wordt besloten om van het plan af te zien omdat het beeld van Duitsland als ‘overweldiger van het Vredespaleis’ een te grote anti-propaganda zou betekenen, waarvan met name Engeland en de Verenigde Staten dankbaar gebruik zouden maken.

Het thuisfront

Die strikte grens moet Van Eysinga inmiddels ook in Leiden verdedigen. Hij is erg gesteld op zijn thuissituatie aan de Rijnsburgerweg welke zich, vanwege zijn lidmaatschap van het Hof, net als het Hof, op extraterritoriaal gebied bevindt. Op 30 december komen twee Duitse officieren langs met de mededeling dat zij zijn huis komen vorderen als Ortskommandantur (stedelijk hoofdkwartier). Van Eysinga legt aan de officieren uit dat hij, op grond van artikel 19 van het Statuut van het Hof, dat ook van kracht is voor het Duitse rijk, diplomatieke voorrechten en immuniteiten geniet die zijn huis vrijstellen van vordering. Dit communiceert hij op verzoek van de officieren meteen ook aan hun commandant.

Op Oudjaarsdag schrijft Van Esyinga een brief aan Otto Bene over dit voorval waarin hij nogmaals benadrukt dat hij op onschendbaar terrein woont. Bene reageert een week later dat diplomatieke privileges, omdat het Hof niet meer functioneert, niet kunnen worden verzekerd. Maar Van Eysinga houdt voet bij stuk. Op 15 februari ‘43 krijgt hij van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn te horen dat hij tijdens de ‘Verhandlungen’ (onderhandelingen) – vermoedelijk tijdens zijn werk bij de Volkenbond – zo’n ‘Verständnis’ (begrip) had getoond voor de ‘Deutsche Interessen’, dat zij besloten hebben om zijn huis niet te vorderen.

Van Eysinga schrijft hier later over aan een vriend ‘dat het de plicht is van een rechter om een absoluut objectief standpunt in te nemen ten aanzien van alle belangen’. Natuurlijk is hij blij met dit bericht: hij ziet zijn rechten als internationale rechter immers erkend worden. ‘Maar waarom’, vraagt hij zich af, lijkt de beslissing te worden beschouwd als een ‘beloning voor goed gedrag’?

Ondanks deze beslissing beginnen de Duitsers later dit jaar dammen van prikkeldraad in zijn tuin te leggen, bomen te kappen, en zijn er plannen voor een mijnenveld. Ook hier weigert Van Eysinga ook maar een centimeter te wijken. Hij schrijft op 26 juni aan de garnizoenscommandant en op 24 juli weer aan Bene dat ‘mijn tuin wordt beheerst door dezelfde wettelijke regeling als het huis’ en daarom is het nodig voor de troepen om ‘mijn tuin te verlaten’. Na herhaaldelijk aandringen, krijgt hij de toezegging dat het prikkeldraad zal worden verwijderd, al zal hij hier nog tot januari ‘44 op moeten wachten.

Je Maintiendrai

Terug in het Vredespaleis drukken Jos Gemmeke en Cock van Paaschen inmiddels al sinds de herfst van ’42 de illegale verzetskrant Je Maintiendrai. Met gekopieerde sleutels van de hekken en deuren van het Vredespaleis weten zij zich toegang te verschaffen tot de kelder waar de stencilmachines staan. Vanwege het lawaai van deze machines die zich recht onder de woning van de portier bevinden, zetten zij deze de vrijdagavonden op zolder en brengen deze op zondag weer netjes naar de kelder. Maar begin augustus 1943 wordt een zoon van één van de medewerkers gearresteerd. Omdat hij een lijstje met namen en adressen op zak heeft volgen er meer arrestaties. Gemmeke en Van Paaschen halen alle belastende zaken uit het Vredespaleis en duiken onder.

Net op tijd, zo blijkt uit het rapport. Op zaterdag 14 augustus brengt de Duitse politie een onverwachts bezoek aan het Vredespaleis met het verzoek de stencilmachines te onderzoeken. Van Eysinga is niet aanwezig en Dirk Bruinsma ontmoet hen in de kelder. Het hoofd van de politie, een Nederlandssprekende man met een sterk Duits accent, vraagt hem wanneer de machines voor het laatst zijn gebruikt. Bruinsma antwoord dat de machines al een jaar of anderhalf jaar niet in gebruik zijn. Het is niet duidelijk of Bruinsma onwetend is of goed kan bluffen, maar de politie is tevreden met de informatie. Het Vredespaleis lijkt door het oog van de naald te zijn gekropen.

Het is niet duidelijk of- maar onwaarschijnlijk dat- Van Eysinga heeft geweten van de verzetsactiviteiten in het Vredespaleis. Het Hof mag immers geen enkel risico lopen en Van Eysinga zou het nooit hebben toegestaan.

Huize Kleykamp bombardement

Kleykamp en extraterritorialiteit

Inmiddels is het Europese strijdtoneel aan het veranderen. De Geallieerden rukken op en op 11 april 1944 bombardeert de Britse Royal Airforce huize Kleykamp aan de overkant van het Vredespaleis, waar de bezetter het Centrale Bevolkingsregister heeft ondergebracht. Dit trekt natuurlijk veel bekijks en niet veel later staat Jan Douma, één van de medewerkers van de griffie van het Hof, met een aantal andere medewerkers van het Vredespaleis bij de ingang van de tuin te kijken naar de reddingswerkzaamheden van de brandweer. Opeens loopt een agent in burger op hen af, schiet drie keer met zijn pistool, en roept: ‘Wegwezen hier!’. Iedereen rent de tuin van het Vredespaleis in, niemand raakt gewond.

Met getrokken pistool loopt de man richting het Vredespaleis. Douma roept de man en zegt: ‘als we kunnen helpen met de werkzaamheden, dan zijn we bereid dit te doen’. ‘Nee’, wordt er gereageerd, ‘iedereen die hier werkt moet terug naar zijn kantoor, het is verboden om te kijken’. Douma blijft rustig en waarschuwt: ‘Wees voorzichtig, je hebt niet het recht om hier te zijn. Omdat wij genieten van het recht van extraterritorialiteit zal dit problemen veroorzaken’. ‘Wat kan mij het schelen’, reageert de man, ‘extraterritoriale rechten kunnen me niets schelen in het geval van bombardementen en ik houd jou ervoor verantwoordelijk dat iedereen hier terug aan het werk gaat in hun kantoor en als je dit niet doet zal ik je arresteren voor een daad van sabotage!’. Douma schudt het dreigement van zich af en gaat naar binnen. De man verlaat de tuin maar blijft op zijn weg naar buiten mensen achter de ramen bedreigen.

Tekort

Door de veranderde situatie in Nederland, onder andere door de Slag om Arnhem in september ‘44, ziet Van Eysinga zich genoodzaakt om een tweede deel van zijn rapport te schrijven. De Hongerwinter is inmiddels aangebroken en begint ook zijn tol te eisen op het Hof. ‘De laatste maanden van de Duitse bezetting werden gekenmerkt door een groot tekort van elke aard’, schrijft hij. ‘Problemen met de verwarmingsinstallatie dwongen ons om ons op de begane grond te installeren’. Tot overmaat van ramp sneuvelen in de nacht van 2 op 3 november ‘44 honderden ramen van het Vredespaleis, waaronder van een deel van de griffie, door inslagen in de buurt. Medewerkers van de Carnegie Stichting haasten zich om de ramen af te dekken. Gezien de financiële situatie en een algemeen tekort aan glas in Den Haag ‘zou het niet passend zijn om ze te vervangen door nieuwe ramen’, schrijft Van Eysinga hierover.

Want ook het geld van het Hof begint op te raken. De in augustus '44 aangevraagde benodigde fl. 15.000,- voor het jaar ‘45 is niet aangekomen. Bruinsma en Douma verlenen hun diensten al sinds 1 januari 1941 gratis aan het Hof, maar door het verhogen van de kosten van levensonderhoud komen ook zij aan het einde van hun financiële middelen. De directeuren van de Carnegie stichting betalen de medewerkers inmiddels met uitkeringen van hout, kolen en aardappelen.

Vanwege het toenemende gevaar voor het Vredespaleis, wordt er gezocht naar oplossingen om het leger buiten te houden. Van Eysinga slaagt erin om het Vredespaleis, als zetel van het Permanente Hof van Internationale Justitie, onschendbaar te laten verklaren. Hiertoe tekent hij een pamflet in vier talen, dat militairen van alle oorlogvoerende landen de toegang tot het gebouw, alle bijgebouwen en de tuin ontzegt.

Ondertussen rijdt er geen tram meer tussen Leiden en Den Haag en Van Eysinga’s brief aan de Ortskommandantur van Den Haag om vergunningen voor fietsverkeer te krijgen, wordt niet beantwoord. Van Eysinga is de 65 inmiddels gepasseerd, maar hij is in deze barre jaren buitengewoon veerkrachtig. Zijn brood en boter weegt hij af op de brievenweger en hij wandelt, als getraind alpinist, heen en weer naar Den Haag. In zijn rugzak zitten jamglazen met stamppot. ‘Men moet in dezen tijd zijnen geest optrekken aan groote figuren en anderzijds alle energie zetten op hetgeen iedere nieuwe dag te doen geeft, althans mij doet dat goed’, schrijft hij in een brief van '44. Hij accepteert, uit hoofde van zijn ambt, dat de Duitsers hem moeten ontzien, maar ook geen vingerbreed meer. Als hem na een bespreking in de late avond in Den Haag een Duitse dienstauto van het Departement van Buitenlandse Zaken wordt aangeboden, bedankt hij en wandelt in de donkere nacht terug naar Leiden.

Dit artikel is onderdeel van een driedelige reeks over het Permanente Hof van Internationale Justitie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Lees hier deel één of lees verder in deel drie.

Bron foto

"Medewerkers van de griffie van het Permanente Hof van Internationale Justitie aan het einde van de jaren ’30. In het midden, Griffier Julio López-Oliván (Spanje).” (Foto beschikbaar gesteld door de Griffie van het Internationaal Gerechtshof)"

 

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!