Schutzbrief van Eysinga

Razzia’s, Schutzbrief en deportatie

Elders in het land wordt de situatie steeds grimmiger. Rotterdam is op 10 november het toneel van een tweede grootschalige razzia. Winkels worden gesloten, het verkeer wordt gestopt in de straten en vijftigduizend mannen worden weggevoerd. Van Eysinga vreest dat Den Haag zal volgen. ‘In deze omstandigheden’, schrijft hij, ‘dacht ik dat het passend zou zijn om mijn medewerkers en mijzelf te beschermen met een beschermende brief (Schutzbrief).’

Deel drie van een artikel over het Permanente Hof van Internationale Justitie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Lees hier deel één.

Met dit document hoopt Van Eysinga de medewerkers van het Hof en hun familie onder de bescherming van het Hof te plaatsen. Op 13 november schrijft hij een brief aan Ernst August Schwebel, een Duitse jurist en afgevaardigde van Rijkscommissaris Seyss Inquart, ‘om ons van de Duitse zijde een document van hetzelfde effect te brengen’. Schwebel antwoordt dat Van Eysinga ‘de enige persoon is die een recht op een dergelijke diplomatieke bescherming kan claimen’. Terwijl ook zijn fiets en textiel op bescherming kunnen rekenen, kunnen de ambtenaren van de griffie dit niet. Maar Van Eysinga zal Schwebel’s reactie niet op tijd ontvangen: door verstoringen in de postbezorging komt de brief pas op 8 december in Leiden aan.

De razzia’s in Den Haag beginnen op 21 november. De Schutzbrief blijkt in één geval bescherming te bieden, maar kan in twee andere gevallen niet voorkomen dat huizen worden doorzocht. In één van deze huizen woont de heer Van der L. Hij toont de Duitsers zijn Schutzbrief, zij geven aan dat alles in orde is. Of hij nog wel even wil meekomen om zijn brief te laten stempelen bij hun bureau in een nabijgelegen school. Daar aangekomen wordt Van der L. bij andere mannen geplaatst en vastgehouden. Zijn pogingen om de commandant te spreken mislukken en hij wordt op transport gezet naar Duitsland.

Wanneer Van Eysinga hoort over het lot van de heer Van der L., zet hij alles op alles om hem vrij te krijgen. Hij schrijft de heer Schwebel en minister Bene, verzoekt vrienden om steun en dwingt meerdere gesprekken af. Hierbij betoogt hij herhaaldelijk dat de heer Van der L. ‘als ambtenaar van de Liga’ op basis van paragraaf 4 van artikel 7 van het Convenant van de Volkenbond, dat Duitsland had aanvaard, een bevoorrechte positie geniet die vrijheidsbeneming uitsluit. Van Eysinga zal zich, zonder succes, tot aan de Bevrijding blijven inspannen voor de heer Van der L.

In Leiden melden zich ondertussen weer twee Duitse officieren om zijn huis te vorderen. Van Eysinga is sowieso niet bang uitgevallen en is het nu zat. Wanneer zij zijn huis binnenkomen gaat hij midden op de trap staan. ‘Sie haben die Macht’, bijt hij hen toe, beide handen aan de leuning, ‘aber ich habe das Recht’. De officieren maken rechtsomkeert.

Inkomen en de laatste verdediging

Het wordt januari ‘45 en financieel gezien ‘werd de bodem van de doos zichtbaar’. Van Eysinga ziet zich gedwongen om elders geld te vinden. Van Eysinga kent Karel Paul van der Mandele, voormalig directeur van de Rotterdamse Bankvereeniging, nog van zijn tijd bij de Economische Hogeschool. Via Van der Mandele krijgt Van Eysinga fl. 10.000,- en kan zo tegemoet komen aan de financiële behoeften van zijn medewerkers. Daarbij stelt de Koninklijke Vereniging voor de exploitatie van de oliebronnen in Nederlands-Indië in maart een grote hoeveelheid aardappelen beschikbaar aan de medewerkers van het Hof.

Ook uit het landgoed Boschoord van de familie van Eysinga in Friesland komen nu en dan ladingen aardappelen en brandhout naar Leiden. Het echtpaar Van Eysinga deelt er rijkelijk van uit. Bij de aankomst van een nieuwe lading schrijft hij: ‘wij zullen er wel een emplooi voor vinden’.

Ondertussen rukken Brits-Canadese troepen op vanuit het oosten van Nederland. Nu zij het midden van Nederland naderen, komen er nieuwe Duitse troepen aan in Leiden. Van Eysinga krijgt te horen dat zijn inmiddels ongestookte huis, net als andere huizen in de omgeving, gevorderd zal worden voor de nieuwkomers. Als Van Eysinga op 10 april ‘s avonds thuiskomt merkt hij dat een groot aantal militaire vrachtwagen in zijn tuin geparkeerd staan. ‘Het resultaat was dat ik de rechten van het Hof weer moest verdedigen’, noteert Van Eysinga op één van de laatste pagina’s van zijn rapport. Hij protesteert voor de zoveelste keer en krijgt, na vele onderhandelingen, begin mei zijn gelijk waarop de auto’s worden geparkeerd in de straat.

Na de oorlog

Tweeënhalve week na de Bevrijding krijgt Van Eysinga nieuws van de heer Van der L. Hij heeft zichzelf, met de hulp van de Amerikaanse autoriteiten, in veiligheid gebracht in Maastricht.

Van Eysinga sluit zijn rapport af met de aanbeveling dat de kwestie van diplomatieke voorrechten en immuniteiten van rechters en gerechtelijke ambtenaren heroverwogen moeten worden. In dit verband, schrijft hij, moet er ten eerste rekening gehouden worden met het feit dat deze mensen niet één staat representeren, maar dat zij vertegenwoordigers zijn van de gemeenschap van staten. Ten tweede is het van belang niet uit het oog te verliezen dat zij, tot welke nationaliteit zij ook behoren, dezelfde garanties van onafhankelijkheid dienen te genieten.

Van Eysinga wordt na 1945 een gerespecteerd emeritus van de Universiteit Leiden, en zal in 1950 voorzitter zijn van de Commissie Van Eysinga die de besluitvorming over buitenlandse zaken en rond internationale verdragen moet democratiseren. Het rapport van deze commissie bevat de aanbeveling, die in 1953 in onze grondwet is vastgelegd, om internationale verdragen voorrang te verlenen boven het nationale recht. De hand van Hugo de Groot is hier duidelijk zichtbaar.

Van Eysinga’s besef van gerechtigheid blijft centraal staan. Hij verplicht zichzelf ertoe niet meer over de 'moffen' te praten, de inwoners van Duitsland zijn immers geen vijanden meer. Hij sterft als weduwnaar, in 1961, in het bijzijn van zijn oudste en jongste zoon. Een groot man aan het einde van zijn missie.

Dit artikel is onderdeel van een driedelige reeks over het Permanente Hof van Internationale Justitie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Lees hier deel één en hier deel twee.

Bron foto

"’Beschermingsbrief’, uitgevaardigd door Van Eysinga aan de Nederlandse ambtenaren van het Hof in 1944.” (Lyber Bel, Griffie van het Internationaal GerechtsHof. (Foto beschikbaar gesteld door de Griffie van het Internationaal Gerechtshof)

 

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!