Permanente Hof van Internationale Justitie tijdens WOII

Van Eysinga en het Permanente Hof van Internationale Justitie onder Duitse bezetting

Op dinsdag 15 juli 1940, daags voor het vertrek uit Den Haag van de leden van het Permanente Hof van Internationale Justitie, komen de Spaanse griffier Julio López Oliván en de Nederlandse rechter Willem Van Eysinga voor een laatste keer bijeen in het Vredespaleis. In het bijzijn van accountant Dirk Bruinsma controleren zij de kas en treffen zij financiële maatregelen voor het vertrek van president José Gustavo Guerrero en de griffier.

Na de capitulatie van Nederland twee maanden eerder was al gauw duidelijk geworden dat het Hof niet kon voortbestaan onder Duitse bezetting. Nog geen 24 uur na de capitulatie had zich al een Duits motorescorte bij het Vredespaleis gemeld om het gebouw in bezit te nemen. Het was dankzij het vurige pleidooi van López Oliván dat de militaire commandant besloot om van een bezetting af te zien. Niet veel later kondigde het Duitse gezag aan dat per 15 juli alle diplomatieke privileges zouden worden afgeschaft en dat alle gezantschappen zouden ophouden te bestaan.

Plannen werden gemaakt om af te reizen naar Zwitserland. Vlak voor vertrek op 16 juli, echter, weigerden de Duitse autoriteiten toestemming aan mensen met de Nederlandse nationaliteit om het land te verlaten. De president en griffier zullen zich in Genève vestigen en voor Van Eysinga en zijn medewerkers zit er niets anders op dan in Den Haag te blijven.

Van Eysinga zal zijn ervaringen optekenen in een tweedelig rapport dat bijna 70 jaar lang ‘vertrouwelijk’ in het Vredespaleis heeft gelegen. Het rapport vertelt een verhaal over een continue strijd tussen macht en recht en maakt duidelijk hoe Van Eysinga, samen met zijn medewerkers in de griffie, de rechten van het Hof herhaaldelijk hebben moeten verdedigen tegen de Duitse bezetter.

Permanente Hof van Internationale Justitie tijdens WOII

Van Eysinga

Professor Jonkheer Willem Jan Mari van Eysinga is 61 jaar oud als hij deze zware taak op zich neemt. Hij is een hardwerkende, standvastige man met een enorm verantwoordelijkheidsgevoel. Van Eysinga voelt het dan ook als zijn plicht om tijdens de bezetting, zoals hij later zal schrijven, ‘alles in het werk te stellen ten einde het Hof ongedeerd te doen blijven, en niets te doen wat het Hof kon schaden’.

Hij heeft inmiddels een behoorlijke staat van dienst opgebouwd. Na hoogleraarschappen in staatsrecht en volkenrecht in Groningen, Leiden en Rotterdam, trad hij in 1931 als rechter toe tot het Permanente Hof van Internationale Justitie. Daarnaast is hij altijd nauw betrokken geweest bij de Volkenbond en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Prinses Juliana, en later ook prinses Beatrix, kon hij rekenen tot zijn studenten. Zijn omvangrijke netwerk en perfecte Duits zullen hem de komende jaren goed van pas komen.

In navolging van zijn grote voorbeelden, de Nederlandse rechtsgeleerden Hugo de Groot en Cornelis Van Vollenhoven, gelooft Van Eysinga stellig dat internationaal recht voorgaat op nationaal recht, en dat internationaal recht niet alleen geldt voor staten maar ook voor burgers. Als volkenrechtjurist kan hij het dan ook moeilijk verkroppen dat het ene land nu het andere land bezet. Tegelijkertijd zal zijn ruime hart hem meesleuren in de zorg voor vervolgde landgenoten. Dag en nacht zal hij bezig zijn om hun belangen te behartigen.

‘De geschiedenis volgt nu eenmaal niet de regelen welke de menschen voor haar meenen te kunnen aanwijzen,’ merkte Van Eysinga dertig jaar eerder op bij de acceptatie van zijn hoogleraarschap in Groningen. De zekerheid van onzekerheid over wat zou komen moet zwaar hebben gedrukt op zijn geest.

Permanente Hof van Internationale Justitie tijdens WOII

Bene en de anti-Joodse maatregelen

Eén van de eerste handelingen in zijn nieuwe functie als waarnemend president is een ‘beleefdheidsbezoek’ aan de vertegenwoordiger van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag, Otto Bene. Nadat Bene niet was komen opdagen op hun afspraak op het Plein op 19 juli 1940, begint deze hun nieuwe afspraak op 16 augustus met zich te verontschuldigen voor zijn afwezigheid. Van Eysinga antwoordt dat hij dit volkomen begrijpt, zijn werk zal vast veel tijd in beslag nemen.

In de loop van het gesprek merkt Bene op dat Van Eysinga vast weinig te doen heeft voor het Hof, waarop Van Eysinga antwoordt dat het tegendeel waar is. Natuurlijk, zo beargumenteert hij, heeft het Hof een volledig quorum van rechters nodig om te functioneren, maar een Internationaal Hof met een onafhankelijke administratie kost tamelijk veel werk. Hij wijst erop dat hij daarom meerdere dagen per week aanwezig is in het Vredespaleis. Dat Van Eysinga weinig zin heeft in dit gesprek blijkt uit zijn latere schrijven hierover aan Guerrero: ‘Een telefoontje van de Rijkscommissaris gaf me de kans om te vertrekken’. Bij afscheid zegt Bene dat hij altijd beschikbaar zal zijn voor vragen en dat hij hoopt hem weer te zien. Van Eysinga antwoord dat dat erg leuk zou zijn.

Maar Van Eysinga zal allesbehalve uitgekeken hebben naar een nieuwe ontmoeting met Bene die tijdens de oorlog verantwoordelijk zal zijn voor de deportaties van Joden uit Nederland. Het zal nog jaren duren voordat de deportaties ook de medewerkers van het Hof zullen treffen, maar op dit moment zijn de eerste anti-Joodse maatregelen al een feit. Bovendien zullen deze toenemen in aantal en zwaarte, tot grote ergernis van Van Eysinga.

 

De Jodenverklaring van 10 oktober – waarmee de Duitsers alle ambtenaren en onderwijzers verplichten om te verklaren geen Jood te zijn – weigert hij dan ook te ondertekenen. In plaats daarvan zegt hij zijn girorekening op bij de PTT (welke rekeninghouders verplicht te tekenen), maakt hij een einde aan zijn colleges aan de Amsterdamse Universiteit en neemt hij ontslag als curator van de Economische Hogeschool te Rotterdam. Niet zonder gevaar, zo weet Van Eysinga maar al te goed. ‘Het grote aantal arrestaties van mijn landgenoten’ doet hem overwegen ‘dat ik niet in staat zou zijn om mijn taak te vervullen’. Daarom vraagt hij Dirk Bruinsma op 18 oktober om, in het geval van zijn arrestatie, de leiding over te nemen.

Een arrestatie blijft uit en Van Eysinga zet door. In februari 1941 ondersteunt hij het verzoek van een aan het Hof verbonden journalist om vrijgesteld te worden van sommige anti-Joodse maatregelen, en probeert werk voor hem te vinden in de Verenigde Staten. In de herfst stelt hij samen met collega’s een lange nota op, geadresseerd aan de Nederlandse overheid in Londen en overhandigd aan de Amerikaanse consul in Amsterdam. Hierin tonen zij nauwkeurig aan dat reeksen maatregelen van de bezetter, inclusief de anti-Joodse maatregelen, in strijd zijn met het Landoorlogregelement uit 1907 dat oorlogvoerende partijen aan regels bindt, zoals het verbod op het wegvoeren van burgers als slaven.

Dit artikel is onderdeel van een driedelige reeks over het Permanente Hof van Internationale Justitie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Lees hier deel twee en houd IsGeschiedenis deze week in de gaten voor deel drie.

Bron foto

“Leden van het Permanente Hof van Internationale Justitie in de vergaderkamer van het Hof, de Bol Kamer van het Vredespaleis, aan het einde van de jaren ’30. Van Eysinga staat achtste van links.” (Foto beschikbaar gesteld door de Griffie van het Internationaal Gerechtshof)"

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

De Barbaren geeft een schitterend overzicht van de voorouders van de hedendaagse Europeanen.