Geschiedenis zomerreces Tweede Kamer

Het vaak onderbroken zomerreces van de Tweede Kamer

Na twee maanden zomerreces gaan de leden van de Tweede Kamer vandaag weer aan de slag. Al sinds de oprichting van de Eerste- en Tweede Kamer staken de parlementen hun vergaderingen in de zomer. De parlementariërs hebben dan tijd voor vakantie, stage, werkbezoek en studie en bereiden zich voor op de nieuwe zitting. De zomer van 2017 was voor hen relatief rustig. Afgezien van de formerende Kamerleden hebben alle parlementariërs een ononderbroken en zorgeloos reces achter de rug. Dat is in de geschiedenis van de Tweede Kamer echter eerder uitzondering dan regel. Vaak moesten Kamerleden terugkomen van het zomerreces omdat kabinetscrises, wetsvoorstellen of Internationale kwesties hun paraatheid vereisten.

Belgische Opstand (1830)

Op 25 augustus 1830 brak in de Zuidelijke Nederlanden - nu België - de revolutie uit. Daar was men overwegend katholiek en bestond al langer onvrede over de protestantse koning Willem I. Zo groeide de wens om zich af te scheiden van de Noordelijke Nederlanden. Het tumult nam toe in de zomer van 1830, waardoor Willem I gedwongen was op 13 september de Staten-Generaal (de Eerste- en Tweede Kamer) vervroegd bij elkaar te roepen. Het zomerreces duurde in die tijd nog tot oktober. Dat betekende dus dat de parlementariërs twee weken eerder terug moesten komen. Tijdens die ‘buitengewone vergadering’ boog het parlement zich over de vraag of België zich mocht afscheiden.

Overigens was niet iedereen het eens met de plotselinge onderbreking van zijn ‘vakantieperiode’. Direct na het openen van de Tweede Kamerzitting riep de heer Bijleveld, na aandragen van argumenten over het ontbreken van officieel papierwerk, verontwaardigd: ‘Ik blijf dus niet in eene vergadering, die niet wettig is bijeengeroepen, noch om te hooren, noch om te helpen besluiten, en ga heen.’ Helaas: het schriftelijke verzoek van de koning tot onderbreking van het reces bleek toch in orde. De heer Bijleveld was de volgende dag gewoon weer van de partij.

Uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (1914)

Toen in de eerste dagen van augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, moest het parlement ‘met ongewonen spoed’ bij elkaar geroepen worden. De escalatie van het conflict was zo snel gegaan, dat de Kamer nu ‘in den kortst mogelijken tijd’ maatregelen moest treffen om Nederland buiten het noodweer te houden. De gevolgen van de grootschalige oorlog konden ook het neutrale Nederland treffen en bovendien moest de krijgsmacht optimaal voorbereid worden op een eventuele schending van de neutraliteitsovereenkomst.

Door in deze eerste, kritieke dagen ‘onverdeeld en eendrachtig samen te werken’, zoals Kamervoorzitter Goeman Borgesius de Kamerleden met klem op het hart drukte, wist het Parlement met grote snelheid maatregelen door te voeren. Ze besloten onder meer over de verlenging van de dienstplicht en voerden een wet in die prijsopdrijving en hamsteren zou moeten voorkomen. In één dag besprak de Tweede Kamer alle wetsontwerpen, waardoor de vergadering geschorst kon worden en de parlementariërs weer ‘uiteen’ mochten gaan. Van hen werd uiteraard wel verwacht opnieuw direct klaar te staan wanneer ‘het behoud van ons dierbaar vaderland’ dat noodzakelijk maakte.  

Inval Tsjecho-Slowakije door het Warschaupact (1968)

Ook wanneer het conflict Nederland niet direct bedreigde, moesten Kamerleden soms vervroegd terugkeren van het zomerreces. Op 20 augustus 1968 vielen de landen van het Warschaupact Tsjecho-Slowakije binnen. Daarmee maakten zij een abrupt einde aan de Praagse Lente, waarin de Alexander Dubček aanstuurde op ‘socialisme met een menselijk gezicht’ en het land wilde democratiseren.

Zeven dagen na de inval werden de Kamerleden vervroegd opgetrommeld ‘om uiting te geven aan de gevoelens die in ons volk leven na de ontstellende gebeurtenissen die vorige week ons werelddeel hebben opgeschrikt’. De Kamerleden namen op verzoek van de Voorzitter twee minuten stilte in acht als teken van verbondenheid met het Tsjecho-Slowaakse volk. Minister-president De Jong stak daarna een lang betoog af waarin hij de inval veroordeelde, maar ook aangaf vast te willen blijven houden aan de ‘ontspanningspolitiek’ met het Oostblok. Uit het daaropvolgende debat bleek het parlement minder gematigd, maar er werd desondanks een motie aangenomen waarin de Kamer de inval ‘ten scherpste’ veroordeelde en – zo eindigt het – ‘over gaat tot de orde van de dag’.

BRONNEN:

Staten Generaal Digitaal, Handelingen Tweede Kamer 13 September 1830
Parlement, Spoedvergadering der Tweede Kamer (1914)
Staten Generaal Digitaal, Handelingen Tweede Kamer augustus 1914
Staten Generaal Digitaal, Handelingen Tweede Kamer 27 augustus 1968

AFBEELDING:

By Croes, Rob C. / Anefo (Nationaal Archief) [CC BY-SA 3.0] via Wikimedia Commons

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!