Zaak Hogerhuis Troelstra Historisch schandaal

Historisch schandaal: de Hogerhuis-zaak

De Hogerhuis-zaak wordt ook wel de Nederlandse Dreyfus-affaire genoemd. Dit justitieel schandaal hield Nederland tussen 1897 en 1900 in zijn greep, vooral nadat de leider van de socialistische arbeiderspartij Pieter Jelles Troelstra zich ermee ging bemoeien. Waar ging dit schandaal om?

De inbraak bij boer Haitsum

Op Sinterklaasavond 1895 werd er ingebroken bij de Friese boer Gatze Haitsum. Haitsum had onlangs geld geërfd van zijn moeder, en vreesde al enige tijd voor een inbraak. Op de nacht van de inbraak werden de inbrekers betrapt door bewaker Sieds Jansma, en de boer zelf. Er ontstond een schermutseling waarbij de inbrekers met een revolver schoten en uiteindelijk de benen moesten nemen. Ze verdwenen in de nacht.

Aanwijzingen

De inbrekers lieten sporen na. Er was een lantaarn achtergebleven, het kaliber van de revolver was gezien, er was een vaag signalement en een van de boeven was gewond geraakt bij het handgemeen. Op de dag na de inbraak werd Wybren Hogerhuis opgepakt. Hij was een huisvriend van boer Haitsum en wist als een van de weinigen waar die zijn geld verstopte. Omdat zijn lantaarn afweek van de gevonden lantaarn en omdat er met zijn revolver al lang niet meer was geschoten, werd hij direct weer vrijgelaten.

Bewijs tegen de gebroeders Hogerhuis

Een maand later werd Wybren alsnog samen met zijn broers Keimpe en Marten opgepakt. De rijksveldwachter in Stiens, de marchaussee en de Leeuwarder politie hadden in het dorp rondgevraagd, waardoor zij het socialistische trio op het spoor waren gekomen. Ymkje Jansma, de huishoudster van boer Haitsum en zus van de bewaker, verklaarde onder grote druk van de politie dat ze de broers had herkend. Zij had een relatie gehad met Wybren, maar vlak voordat ze haar lasterlijke verklaring aflegde was die uitgegaan. Ook Haitsma en zijn bewaker Jansma kwamen na veel druk van de politie uiteindelijk met een verklaring tegen de broers.

De dorpsgenoten konden geen bewijs leveren, de broers hadden een alibi en geen van hen was gewond, maar dat werkte niet in hun voordeel. Een half jaar na de inbraak, op 17 juni 1896, werden de gebroeders Hogerhuis tot zware gevangenisstraffen veroordeeld. Wybren kreeg twaalf jaar gevangenisstraf, zijn broers Marten en Keimpe respectievelijk elf en zes jaar.

Twijfels en nieuwe informatie

Na de veroordeling begonnen verschillende dorpsgenoten plotseling te spreken. Er kwamen verschillende lasterlijke verklaringen tegen een drietal andere socialisten uit Beetgum, Allard Dijkstra, Paulus van Dijk en Sybolt Alberda. De bewijzen tegen hen stapelden zich op. Zo werd duidelijk dat de lantaarn afkomstig was van Tjeerd Stienstra, die hem had uitgeleend aan Van Dijk en na een echtscheiding naar Amerika was vertrokken. De nieuwe verklaringen werden niet meegenomen, en ook nadat via de media een nieuw onderzoek werd afgedwongen werd dezelfde conclusie getrokken: de broers Hogerhuis hadden het gedaan.

Troelstra bemoeit zich met de zaak

Nadat ook een derde onderzoek niets uithaalde, benaderden enkele socialisten uit het dorp in 1897 de advocaat Pieter Jelles Troelstra, die net in de Tweede Kamer was gekozen als fractievoorzitter van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Troelstra diende een meineedklacht in tegen boer Gatze Haitsma, zodat het vonnis herzien kon worden, en interpelleerde de minister van Justitie in de Tweede Kamer. Ook werd het ‘Landelijk Komitee tot invrijheidsstelling van de gebroeders Hogerhuis’ opgericht. De zaak kreeg nationale bekendheid door de manifestaties, vergaderingen en petities die werden georganiseerd. Verschillende hoogstaande socialisten bemoeiden zich met de zaak, waaronder de vrije socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Dat bemoeilijkte de samenwerking, waardoor er binnen het kamp van de broers Hogerhuis wrijving ontstond.

Een complot tegen het socialisme

Mede door die onenigheid en een slechte verdediging van hun advocaat werden de broers Hogerhuis niet vrijgesproken. Onder socialisten in het land leidde dat tot grote verontwaardiging: zij vonden dat er sprake was van klassenjustitie, waarin vermogenden een betere juridische behandeling kregen dan anderen. In zijn gedenkschriften memoreerde Troelstra de kwestie later als een complot tegen de organisatie van het socialisme in Nederland:

“Door de beweging een ‘socialistenpraatje’ te noemen, erkende de Leeuwarder officier, dat het angst voor de socialisten, voor de opkomende proletarische beweging, was, die hem en de zijnen aan het eens gewezen vonnis deed vasthouden.”

De gerechtelijke dwaling, want dat was het zeer waarschijnlijk, bracht socialisten in het hele land bij elkaar, maar verdeelde hen tegelijkertijd, omdat ze het niet eens konden worden over de aanpak. Desondanks zagen autoriteiten de kwestie als gevaarlijke socialistische propaganda en weigerde dus stoïcijns het vonnis te herzien. Veel Friese burgers kozen de kant van de rechter en de politie, en zo werd het schandaal inderdaad een soort klassenstrijd.

Tijdens het huwelijk van Wilhelmina in 1901 kregen de broers uiteindelijk toch drie jaar strafvermindering, waardoor Keimpe direct vrijkwam en Marten een jaar later. Toen Wybren in 1905 vrijkwam, maakte hij een tournee door het land alle socialisten die aan zijn kant stonden te bedanken.

Bronnen:

Afbeelding:

Stienstra's dieven- en tooverlantaarn: twee visies in de zaak Hogerhuis, Neêrlands weekblad, 18 juni 1898. IISG BG C12/358. Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (creative commons) via Flickr.

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!

Neem nu een abonnement en krijg drie schitterende cadeau's!