Rol overheid bij ouderenzorg in de 20e eeuw

Zó arm zijn ouderen nu ook weer niet

Aldus historicus en redacteur Rutger Bregman in de Volkskrant van maandag 4 februari 2013. Hij reageert op geluiden uit de Tweede Kamer over veronderstelde armoede onder bejaarden. Volgens Bregman valt dit wel mee en waren ouderen vroeger pas écht arm. Voordat de AOW werd ingesteld, was de zorg voor arme ouderen voornamelijk afkomstig van liefdadigheidsinstellingen. Vanaf 1912 kwam met de ‘onderhoudsplicht’ de zorg in handen van bloedverwanten. 

Ouderenzorg uit liefdadigheid

In de 19e eeuw werd er nog geen onderscheid gemaakt tussen ‘gewone’ armlastigen en arme bejaarden. Er was wel sprake van armen- en ouderenzorg uit liefdadigheid, vaak geregeld door kerkelijke instituten. Minister-president Thorbecke was in 1849 van mening dat de armenzorg als een publiek orgaan moest functioneren en aan iedereen de mogelijkheid moest geven er gebruik van te maken.

In 1853 kwam het kabinet Thorbecke ten val en haalde de nieuwe, conservatieve regering een streep door zijn plannen. Een jaar later werd de ‘Armenwet van 1854’ aangenomen. Hierin stond dat een morele benadering voorop gesteld werd, en armenzorg een zaak was voor lokale liefdadigheidsinstellingen en kerken. Pas als deze in gebreke bleven mochten overheden ingrijpen. Eind 19e eeuw steeg het aantal ouderen door de toegenomen welvaart en medische kennis. Door de grotere groep bejaarden werden in 1885 armlastige ouderen ook als apart ‘sociaal probleem’ gezien en werd er in het parlement voor het eerst gesproken over een geregelde oudedagsvoorziening.

Discussie om ouderenzorg

Sommige Kamerleden vonden oudedagsvoorziening een individuele verantwoordelijkheid, anderen zagen het juist als een maatschappelijke. Uiteindelijk werd in 1912 de armenwet van 1854 herzien. Vanaf toen waren bloedverwanten verplicht om de zorg en het onderhoud van ouderen in hun omgeving op zich te nemen. De kamer ging akkoord met deze onderhoudsplicht en noemde de zorg een ‘morele verplichting’. Het was tevens een bezuinigingsmaatregel, de kosten voor de zorg werden zo door de overheid ‘uitbesteed’ aan kinderen en familie van de bejaarden. Het verzet tegen de onderhoudsplicht was vanaf het begin groot: veel bloedverwanten beriepen zich op hun eigen beperkte middelen die ze hadden om in het onderhoud te voorzien.

Drees en de AOW

Deze situatie duurde voort tot 1947. Toen kwam Willem Drees met een ‘Noodvoorziening voor ouden van dagen’. Pas in 1957 werd de wet omgedoopt in een definitieve wet en omgedoopt tot ‘Algemene Ouderdomswet’ (AOW). Volgens Bregman valt de veronderstelde armoede onder bejaarden in vergelijking met het verleden wel mee, ondanks het feit dat sommige ouderen wel geraakt worden door de bezuinigingen. 

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!