Koffiehuizen

De geschiedenis van het Nederlandse koffiehuis

Misschien denkt de gemiddelde Nederlander bij het woord “koffiehuis” tegenwoordig aan de coffeeshops waarin softdrugs worden verkocht. Maar in de geschiedenis van Nederland hebben ook echte koffiehuizen bestaan, waar bezoekers rustig koffie konden drinken, kranten en tijdschriften konden lezen en contacten konden onderhouden. Dit waren de voorlopers van de moderne horeca.

Verspreiding van het koffiehuis in Europa

Het koffiehuis verspreidde zich vanaf de zeventiende eeuw over Europa. Door de dalende prijs van koffiebonen en de ontwikkeling van Amsterdam als belangrijke internationale koffiehandelscentrum, werd het koffiehuis vooral in Amsterdam populair. Desalniettemin was het koffiehuis in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gedurende de achttiende eeuw niet zo’n wijdverbreid fenomeen als in de omringende landen, vooral in vergelijking met Groot-Brittannië.

De achttiende-eeuwse koffiehuizen boden in eerste instantie vooral warmte en beschutting in een tijd waarin de meeste woonhuizen klein en slecht verwarmd waren. Maar men bezocht de koffiehuizen ook om er banen te vinden, zaken te doen, informatie uit te wisselen of belangrijke levensgebeurtenissen te vieren. Ook werden de koffiehuizen in de achttiende eeuw vaak gebruikt als herkenningspunt, omdat gebouwen destijds nog niet werden aangeduid met een adres en huisnummer.

Het koffiehuis in Groot-Brittannië

Het koffiehuis was in Nederland echter lang niet zo populair als in Groot-Brittannië. Daar werd het eerste koffiehuis in 1650 in Oxford geopend. Vanaf het begin waren de Engelse koffiehuizen plekken waar bezoekers met elkaar over de politiek konden discussiëren. Dit leidde er aanvankelijk toe dat de Britse koning en ministers probeerden om de koffiehuizen te sluiten. Het zouden namelijk plekken zijn waar men vooral leugens verspreidde en het volk probeerde op te zetten tegen de regering. De Engelse koning Karel II poogde in 1675 dan ook om de koffiehuizen in zijn land per koninklijk decreet te verbieden. Hierop dreigde het volk echter in opstand te komen. Met de Engelse burgeroorlog van 1642-1651 nog vers in het geheugen, trok de koning het aangekondigde verbod haastig in. Daarna ondernam de Britse regering geen verdere maatregelen meer tegen de koffiehuizen.

De koffiehuizen in Groot-Brittannië waren, naast fora voor politieke discussies, ook centra voor handel, transport en communicatie. Dat was mogelijk door de stedelijke groei en de toenemende binnenlandse handel in de achttiende eeuw. Ook de gunstige positie van de koffiehuizen in steden en langs belangrijke handelsroutes speelde een grote rol. Daarnaast was er in de Engelse koffiehuizen sprake van een literaire cultuur. Door de nauwe verbintenis van de koffiehuizen met de journalistiek, tekenden een aantal Britse koffiehuiseigenaren in 1729 een petitie waarin zij het parlement verzochten om een monopolie op de publicatie van nieuwskranten.

Lezen in het Britse koffiehuis

Behalve voor journalisten was er in de Britse koffiehuizen ook plaats voor literatuurcritici, die er boeken en toneelspelen beoordeelden. Auteurs kwamen er om patronage te vinden en om hun schrijverscarrière te bevorderen. Ook kwamen er leesclubs bijeen om boeken te lezen en te bespreken.

Vooral het spectatoriale tijdschrift werd in de Britse koffiehuizen gretig gelezen. Dit type tijdschrift, dat vanaf 1730 enorm aan populariteit won en waarin de Britse bevolking een spiegel werd voorgehouden van hun sociaal (wan)gedraag, werd opgericht door Richard Steele en Joseph Addison. Hun tijdschrift, The Spectator, verscheen in 1711 en 1712 zesmaal per week, had naar schatting een oplage van drieduizend exemplaren per dag en bereikte zo’n zestigduizend Londenaren. Het tijdschrift was niet in de laatste plaats te vinden in de ruim vijfhonderd koffiehuizen die destijds alleen al in Londen bestonden.

Koffiehuizen minder populair in Nederland

De Nederlandse koffiehuizen waren een stuk minder politiek en maatschappelijk ingebed dan de Britse koffiehuizen. Bezoekers konden er wel ongedwongen debatteren, nieuws uitwisselen en contacten onderhouden onder het genot van koffie en chocolade, maar van enige culturele functies is weinig bekend. Het natuurkundig onderwijs, bijvoorbeeld, dat in Groot-Brittannië wel een koffiehuisaangelegenheid was, was in Nederland in de genootschapsvorm gegoten. De Nederlandse genootschappen vestigden zich op hun beurt, anders dan in Groot-Brittannië, niet in de koffiehuizen maar bij leden thuis of in een eigen gebouw.

Ook was er in aanzienlijk mindere mate sprake van een literaire cultuur in de Nederlandse koffiehuizen. Veel koffiehuizen hadden niet eens een leestafel, laat staan een aparte leesruimte. De meeste koffiehuizen hadden hooguit een abonnement op slechts een paar kranten. In literaire kringen werd dan ook nauwelijks aandacht besteed aan het Nederlandse koffiehuis, terwijl het Britse koffiehuis in eigen land wel een veelbesproken fenomeen was.

Nederlandse en Britse koffiehuizen werden bespot

De lage populariteit van de koffiehuizen in Nederland is dan ook te zien aan de afname in het aantal koffiehuizen. Waren er in 1700 nog tweeëndertig koffiehuizen in Amsterdam, rond 1750 telde de stad er nog maar zeventien. Er werd geschreven dat het koffiehuis een verenigingsplaats was ‘van zoogenaamde vrienden van handel en speelzieke kringen’, dat uit koffiehuizen ‘waarlijk niet veel heils voor den staat te wachten’ viel en dat een bezoek aan koffiehuizen zelfs het huwelijk in gevaar bracht, omdat het de man weghield van huis.

Desalniettemin kon het relatief kleine aantal koffiehuizen in Nederland rekenen op bezoekers uit diverse sociale milieus. Er kwamen niet alleen kooplieden, renteniers en advocaten, maar ook dokters, predikanten en studenten, variërend van “arme lieden van fatsoen” tot “ryk Kanalje”.

Overigens werd er ook in Groot-Brittannië veelal negatief geschreven over de koffiehuizen. Zo schreef de satiricus Edward Ward in het begin van de achttiende eeuw: ‘urban coffeehouse society was a den of frivolous news reading, foppish display, and dishonest trade at its best’. Ook werd de “coffeehouse politician” tot in de negentiende eeuw belachelijk gemaakt, onder meer door het onverantwoordelijke politieke gebabbel van de mannelijke koffiehuisbezoekers te vergelijken met het geminachte vrouwelijke geroddel.

Nederlandse koffiehuizen anno 2018

Anno 2018 zijn de meeste achttiende-eeuwse koffiehuizen getransformeerd in modernere cafés, waar naast koffie onder andere ook thee, alcoholische dranken en frisdranken worden geserveerd. Ook kunnen bezoekers er vaak lichte snacks, muffins of gebakjes eten.

In Den Haag zijn nog koffiehuizen te vinden die nog het meest lijken op de koffiehuizen van weleer. Arbeiders kunnen er al vanaf zes uur ’s morgens een goedkope kop koffie krijgen, geschonken uit oude glazen koffiepotten. De Haagse koffiehuizen werden in 1990 bejubeld door de Nederlandse cabaretier Harrie Jekkers: ‘een houten keetje van vijf bij zes meter en alle problemen van de wereld passen daarin, en die worden door de arbeiders met een bakkie pleur eventjes opgelost en geanalyseerd in een paar seconden.’

BRONNEN

  • Cowan, Brian W., ‘Mr. Spectator and the coffeehouse public sphere’, Eighteenth-century studies, vol. 37, nr. 3 (2004) 345-366.
  • Honings, Rick, ‘Een zoet vergif voor verstand en hart: de ontwikkeling van de leescultuur in Leiden, 1760-1860’, Tijdschrift voor Nederlandse taal- & letterkunde, vol. 127, nr. 3 (2011) 363-289.
  • Jekkers, Harrie, ‘Het gelijk van de koffietent’ (1990): https://www.youtube.com/watch?v=sFz482cPaVc&t=2223s
  • Klein, Lawrence E., ‘Coffeehouse civility, 1660-1714: an aspect of post-courtly culture in England’, Huntington library quarterly, vol. 59, nr. 1 (1996) 30-51.
  • Kloek, Joost en Mijnhardt, Wijnand, 1800. Blauwdrukken voor een samenleving (Den Haag 2001).
  • Leemans, Inger en Johannes, Gert-Jan, Worm en donder. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800: de Republiek (Amsterdam 2013).
  • Pendergrast, Mark, Uncommon grounds: the history of coffee and how it transformed our world (New York 2010, 2e herziene druk).
  • Van Horn Melton, James, The rise of the public in Enlightenment Europe (Cambridge 2001).
  • Van Zanten, Jeroen, Schielijk, winzucht, zwaarhoofd en bedaard. Politieke discussie en oppositievorming 1813-1840 (Amsterdam 2004).

AFBEELDINGEN

Meer weten

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!