etaling van belastinggeld aan koning Karel V van Frankrijapellek in de 14e eeuw

Oorsprong van belasting betalen

De Belastingdienst komt vaak negatief in het nieuws. Niet alleen vinden mensen het nooit leuk om belasting te betalen, maar ook binnen de organisatie gaat van alles mis. Zo kwam er in november 2019 naar buiten dat de Belastingdienst een groep ouders ten onrechte als ‘fraudeur’ had gebrandmerkt waardoor zij in onnodige financiële problemen kwamen. De Belastingdienst heeft zodoende niet de beste reputatie, veel mensen worden instinctief nerveus als er een blauwe envelop op de mat ligt. Dit was eeuwen geleden ook al zo, al waren er toen natuurlijk nog geen blauwe enveloppen.

Herkomst van belasting betalen

Al millennia lang moet men belasting betalen. Voor de jaartelling werd in Israël belasting geïnd en de betaling gebeurde in natura, zoals met het afdragen van vee. In het Romeinse Rijk moesten alle niet-Romeinse burgers betalen voor de grond waarop zij leefden en werkten. De Romeinse keizer Augustus (63 v.Chr.- 14 n.Chr.) liet een soort bevolkingsregister aanleggen om efficiënter belasting te heffen. Deze volkstelling - of census - vond structureel plaats om vast te stellen wat de opbrengst was. Het innen van de belasting was een taak voor de publicani.

Belasting in de Middeleeuwen

In de Middeleeuwen was Nederland opgedeeld in graafschappen. Wanneer de koning geld nodig had klopte hij bij de graven aan. Zij hieven vervolgens belasting in hun graafschap om het bedrag bij elkaar te krijgen. In eerste instantie waren de heffingen incidenteel, maar spoedig werd de betaling een structurele verplichting. Vanaf de twaalfde eeuw groeiden dorpen uit tot steden die zelf belasting onder hun bewoners gingen heffen. Zo voerden de steden accijnzen in op levensmiddelen zoals bier, zout, graan en zeep. Niemand kon zonder deze middelen leven en dus waren steden op deze manier zeker van inkomsten. Ook het gebruik van openbare plekken zoals de markt en bruggen werd belast.

Belasting innen vanaf de zestiende eeuw

In de zestiende eeuw kwam Nederland onder het bewind van Spanje te staan. Alva, opperbevelhebber van het Spaanse leger, wilde het belastingstelsel in Nederland drastisch veranderen waardoor iedereen meer geld moest afdragen. Dit wilde hij doen door het invoeren van de zogeheten honderdste, twintigste en tiende penning. Hierop volgde hevig verzet vanuit de Nederlandse samenleving en de grote steden voerden de nieuwe heffingen zelfs niet door. Wel betaalden de steden de Spanjaarden jaarlijks een afgesproken bedrag. 

De belastingontvanger

In de zestiende en zeventiende eeuw werden de Nederlanden welvarender. Tijdens de Republiek werden er meer algemene belastingen zoals in- en uitvoerrechten- ingevoerd. Ook voor schepen ontstonden er meer belastingen. Schepen die bescherming wilden van oorlogsschepen moesten konvooigeld betalen. Licenten werden aangeschaft om handel te mogen drijven met de vijand. Hoewel deze betalingen algemeen waren, wilde dat niet zeggen dat alle inwoners van de Republiek dezelfde belastingen betaalden. De Republiek der Verenigde Nederlanden was nog altijd geen eenheidsstaat en dus werden de meeste belastingen nog steeds op lokaal niveau bepaald en geïnd.

Pachtersoproer

De bevolking is zelf lang niet altijd blij geweest met de belastingen, zoals tijdens de Pachtersoproer van 1748. Deze oproer begon op 17 maart 1748 in Groningen vanwege de hoge belastingtarieven die de pachters vroegen. In de Republiek werd belasting namelijk geïnd door particulieren, ofwel pachters. Deze pachters betaalden aan de overheid een vast bedrag en alles wat zij overhielden mochten ze zelf houden. De inwoners van de Republiek ergerden zich aan de stijgende belastingen na de economische neergang vanaf 1740. Huizen van, met name prinsgezinde, belastingpachters werden belaagd en pachtershokjes werden vernield. De oproeren verspreidden zich en uiteindelijk werden de belastingen voor een halfjaar opgeschort.

Voorloper huidige belastingstelsel

In 1795 kregen de Fransen de macht in de Republiek. Met een nieuwe grondwet die ervoor zorgde dat Nederland een eenheidsstaat werd, moest ook een centraal belastingstelsel komen. Deze werd in 1805 ingevoerd en wordt gezien als de voorloper van het huidige belastingstelsel. Voor het eerst werd rekening gehouden met iemands inkomsten: de heffingen werden naar draagkracht geheven. Een ambtenaar kwam thuis langs om te zien hoeveel goederen iemand bezat en baseerden daarop hun belastingbedrag. Zo betekende een groter aantal ramen in huis meer rijkdom en dus meer belasting. Luxegoederen zoals parasols werden extra belast en bij betaling werden deze voorzien van een zegel.

Belasting in de moderne tijd

In 1914 werd de inkomstenbelasting ingevoerd, zodat mensen naar draagkracht belasting betaalden. Na de Tweede Wereldoorlog zijn een groot aantal nieuwe heffingen erbij gekomen, zoals de loonbelasting in 1964 en de BTW in 1969. Dit komt omdat de overheid steeds meer geld nodig heeft om haar taken te kunnen volbrengen. Nog steeds zijn er accijnzen, namelijk op producten zoals tabak en alcohol. Behalve nieuwe heffingen zijn ook een aantal belastingen, zoals de vliegbelasting, afgeschaft. De heffingen worden gedaan door de Nederlandse rijksbelastingdienst en door gemeenten. De belangrijkste inkomstenbron van de staat zijn nog altijd de belastingen, met als grootste inkomsten de omzetbelasting en de loonbelasting. 

Afbeeldingen:

Bronnen:

 

-    Geheugenvannederland.nl, De schatkist van het rijk

 

-    Rijksoverheid.nl, Belasting toen en nu

 

Afbeelding:

 

-    Wikimedia, Koning Karel V int belasting

Meer weten

De Barbaren geeft een schitterend overzicht van de voorouders van de hedendaagse Europeanen.

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!