Home » Reportage
geschiedenis marshallplan

Het Marshallplan

Twee jaar na de Tweede Wereldoorlog werd er hard aan de wederopbouw gewerkt, maar veel Europeanen leden nog honger en kou. Door het slechte weer mislukten veel oogsten, steenkool was schaars waardoor fabrieken stillagen en de kachels niet konden branden. Jorrit van den Berk en Albertine Bloemendal beschrijven waarom de ongewisse Europese toekomst ook de Verenigde Staten zorgen baarde, en hoe die uitmondden in het Marshallplan.

Tekst: Jorrit van den Berk en Albertine Bloemendal

Europa leek in 1947 wel een bodemloze put: Amerika had er sinds 1945 miljarden dollars aan humanitaire steun ingepompt – voedsel, brandstof, kleding, medische hulp – maar herstel leek uit te blijven. Niet goed voor de Amerikaanse economie, die sterk gericht was op hoge productie en consumptie en de Europese afzetmarkt hard nodig had.

De belangrijkste bron van zorg was echter politiek. De Koude Oorlog met de Sovjet-Unie was al gaande en men geloofde dat de ellende Europeanen kwetsbaar maakte voor de rode verleiding en dat ze hun geloof in kapitalisme en democratie wel eens konden verliezen. Communisten konden steun winnen met de belofte van ‘een emmer steenkool, een pak sigaretten, of een beetje brood’, waarschuwde het tijdschrift Foreign Affairs in juli 1947. In Frankrijk en Italië waren de communistische partijen bezig aan een opmars. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken George Marshall (1880-1959) hield op 5 juni 1947 een rede van een kwartier over de Europese situatie: het begin van het ‘Marshallplan’, al voelde hij zichzelf bezwaard over die term. Hij bood niet echt een plan, zei hij jaren later, maar meer ‘iets tussen een hint en een suggestie’. Een cruciaal onderdeel was zijn uitnodiging aan alle Europese staten om gezamenlijk een herstelplan te maken. Amerika zette de contouren uit, zou meedenken en de uitvoering waar mogelijk financieel en anderszins ondersteunen.

De Koude Oorlog

In de VS werd een enorme binnenlandse PR-campagne opgetuigd om de bevolking van het nut te overtuigen, want het Congres moest het goedkeuren en er belastinggelden aan toewijzen. In Europa maakten Marshalls woorden meteen al grote indruk. Zo sprak de Britse minister van Buitenlandse Zaken van een ‘reddingsboei voor verdrinkende volkeren’. Ook Josef Stalin, de leider van de tijdens de oorlog zwaar getroffen Sovjet-Unie, toonde interesse. Marshalls uitnodiging was dan ook voor het hele continent bedoeld, inclusief de voormalige vijanden en de landen binnen de Russische invloedssfeer, die er ook oren naar hadden. Stalin had er echter moeite mee dat de VS alvast voorsorteerde op samenwerking in Europa. Voor West-Europa was dat acceptabel, maar Stalin vreesde aantasting van zijn macht over de staten in Oost- en Midden-Europa die Sovjettroepen bezet hadden. Hij verwierp het Marshallplan uiteindelijk als een ‘boosaardig Amerikaans plot’, en de communistische partijen in Europa volgden deze koers. Toen de regering van Tsjecho-Slowakije toch voorzichtig positief reageerde op de uitnodiging, pleegde de communistische partij er in 1948 met steun van de Sovjet-Unie een staatsgreep. De Sovjet- Unie zette als alternatief het ‘Molotov-Plan’ op voor de landen in haar invloedssfeer. 

Zo was het Marshallplan niet alleen het gevolg van de beginnende Koude Oorlog, maar ook een onderdeel ervan: Stalin verstevigde zijn greep op Oost-Europa, West-Europese landen zochten in toenemende mate hun heil bij de Verenigde Staten.

13 miljard dollar

Op initiatief van Frankrijk en Groot-Brittannië kwamen op 12 juli 1947 zestien West-Europese landen in Parijs bijeen om Marshalls uitnodiging te bespreken. Amerika hield zich grotendeels afzijdig, Duitsers waren er niet bij: het voormalige nazirijk was nog bezet door de geallieerden die onderling bakkeleiden over Duitslands toekomst. Ieder land stelde in Parijs zijn eigen verlanglijstje samen. Alles bij elkaar een enorm en onrealistisch bedrag. Ernst van der Beugel, de secretaris van de Nederlandse delegatie, zei later: ‘Er is, geloof ik, in een internationale conferentie zelden zó geknoeid, zó gelogen, zó gejammerd als toen, want het ging om het leven, om de toekomst van de landen zelf.’ 

De Amerikanen voerden de druk wat op, want het Amerikaanse Congres eiste een structureel nieuwe aanpak en zou dit nooit accepteren. Ze stuurden naast Europese samenwerking vooral aan op twee doelen: een flinke boost voor de Duitse zware industrie en steenkolenmijnbouw in vooral het Ruhrgebied en het Saarland; hiervan zou heel Europa profiteren. Even belangrijk: de handelsbarrières moesten verdwijnen. De delegaties in Parijs gingen hierin mee. Het Congres zegde voor vier jaar hulp toe (het bedrag werd per jaar bekeken), en president Harry S. Truman tekende op 3 april 1948 de wet voor een European Recovery Program – de officiële naam van het Marshallplan – en de Economic Cooperation Administration (ECA). Dit uitvoerend orgaan zetelde in Parijs onder leiding van Paul Hoffman, een bij Studebaker weggeplukte CEO. Het regelde samen met individuele Europese regeringen en de op 16 april opgerichte Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES) de projecten, de publieksvoorlichting en de financiële afhandeling van het Marshallplan. Tussen 1948 en 1952 betaalden de Verenigde Staten 13 miljard dollar aan de ECA, die dit doorsluisde naar Europese overheden. Zo’n 90 procent was een gift.

geschiedenis marshallplan

Vernuftig

Hoe werkte het plan? In eerste instantie leverden de Amerikanen met Marshallgeld aangeschaft graan en steenkolen uit hun eigen land, maar dit was alleen om Europa uit het diepe dal te halen. Het mocht niet afhankelijk worden van zulke leveranties, maar moest zelf weer voldoende gaan produceren. Hier stond echter een valutaprobleem in de weg: om meer te kunnen voortbrengen, moesten Europeanen grondstoffen en nieuwe machines in Amerika kunnen kopen (want die hadden ze door de grote oorlogsschade zelf nog niet). Geld hadden ze meestal wel, alleen geen dollars, maar die konden ze alleen verdienen door meer te verkopen op de Amerikaanse markt. Zo stond het ervoor in 1947: zonder dollars geen productie en zonder productie geen dollars. Het Marshallplan bood een vernuftige oplossing voor de dollarcrisis: een zogeheten tegenwaarderekening. De Amerikaanse overheid gaf elk deelnemend land via de ECA een subsidie in de vorm van een dollarkrediet. De deelnemende landen stortten een even groot bedrag in hun eigen valuta op de tegenwaarderekening. Dit deden ze door het dollarkrediet van de ECA te ‘verkopen’ aan ondernemers in hun eigen land die een Amerikaans product wilden aanschaffen. 

De Nederlandse boer Pietersen had misschien een trekker nodig, een Turijns postkantoor moest nieuwe sorteerfaciliteiten hebben, conservenfabriek Dubois in Bordeaux wilde investeren in grotere kookketels. Zij konden dan een aanvraag indienen bij hun eigen overheid om deze uit Amerika te importeren. Een aanvraag werd pas goedgekeurd als de aanwinst zou bijdragen aan de algehele wederopbouw. Vervolgens stortten Pietersen, Dubois of het postkantoor in Turijn het aankoopbedrag in guldens, francs of lires op de tegenwaarderekening van hun land, en dan betaalde ten slotte de ECA een Amerikaanse leverancier in dollars en verscheepte de trekker of de sorteereenheid naar de klant. De tegenwaarderekeningen werden dus gevuld uit betalingen van consumenten voor Marshallgoederen. Maar hoe is dit hulp? Dubois betaalde immers zelf voor zijn ketels, zij het in francs. De hulp bestond eruit dat de deelnemende regeringen de tegoeden op de tegenwaarderekening mochten uitgeven aan grote wederopbouwprojecten. Dit moest wel in samenspraak met de ECA. De Amerikanen wilden bijvoorbeeld dat 60 procent hiervan naar projecten ging die de nationale productiviteit opkrikten. Te denken valt aan de bouw van bruggen en de aanleg van wegen, drooglegging van nieuwe landbouwgronden, het concurrerend maken van Hoogovens en modernisering van de mijnbouw. Liefst waren het projecten die tot de verbeelding spraken en Amerikaanse burgers lieten zien hoe hun belastingcenten een belangrijk verschil maakten in dat verre Europa. Het Congres moest er immers elk jaar weer toestemming voor verlenen en belastinggeld opzijzetten. Zoals een overheidsvoorlichter het verwoordde: ‘de gemiddelde Amerikaan zal op den duur het Marshallplan slechts blijven steunen, indien hij […] belangrijke vorderingen tot stand ziet gebracht.’

geschiedenis marshallplan

Productiviteit!

De Amerikanen hadden hierbij dus een duidelijke voorkeur. In de bilaterale verdragen die ze met elk deelnemend land sloten, werd aangeduid in wat voor soort opbouwwerken het geld van de tegenwaarderekeningen geïnvesteerd moest worden. Het leidende criterium werd al gauw dat de beoogde projecten tot verhoging van de productiviteit zouden leiden: meer maken tegen lagere kosten en/of met minder arbeid. Investeren in productiviteit was echt een Amerikaans idee. De ECA stuurde consultants om dit voor Europeanen nieuwe inzicht over te brengen, bood lezingen, cursussen en tentoonstellingen aan, haalde delegaties uit vele maatschappelijke geledingen en het bedrijfsleven naar de VS om het in de praktijk te laten zien, en legde het in brochures uit aan de hand van eenvoudige voorbeelden: de ouderwetse schoenmaker Jansen zet drie paar per week in elkaar. Zijn concurrent Van Dijk koopt een machine, kan veel meer schoenen verkopen, en verdient de investering dubbel en dwars terug. Europese regeringen zouden met Marshallgeld wellicht liever sociale wetgeving hebben opgezet om zo een uitgebreider vangnet voor hun burgers te creëren, maar dit klonk voor de Amerikanen als socialisme, en dat kon natuurlijk niet: bredere welvaart moest bereikt worden door het stimuleren van de markt, voor hen dé sleutel tot duurzame wederopbouw. Het gevolg zou zijn dat de lonen stegen en de productiekosten daalden waardoor Europese arbeiders ook koelkasten, stofzuigers en auto’s konden kopen. Het leven in overvloed zou maken dat de American Way Of Life een aantrekkelijke optie voor de toekomst werd.

Resultaten

Hoe succesvol was het Marshallplan? De economische situatie in West-Europa was in 1952 in ieder geval een stuk rooskleuriger dan in 1947. De productie nam toe met 60 procent, in de Bondsrepubliek, de West-Duitse staat die in 1949 was opgericht, zelfs 241 procent. Hoeveel van die groei een direct gevolg was van de Amerikaanse steun is zeer moeilijk te bepalen. Europese landen hadden ook hun eigen wederopbouwbeleid. De meeste historici zijn het er in elk geval over eens dat Europees herstel uiteindelijk ook zonder het Marshallplan zou hebben plaatsgevonden. Het plan had echter ook op andere gebieden effect. De tegenwaarderekening bood om te beginnen een slimme oplossing voor het dollartekort dat in 1947 een serieus knelpunt vormde. De nadruk op het verhogen van de productiviteit leidde vermoedelijk tot een snellere modernisering van de industrie en landbouw dan anders het geval geweest zou zijn. Na de oorlog hadden veel Europeanen erop gerekend dat de staat een belangrijke rol had in het opbouwen van een welvaartstaat, maar mede onder invloed van het Marshallplan ontwikkelden zich gemengde economieën van marktwerking en sturing door de staat. Hierbij moet overigens opgemerkt worden dat niet alle modernisering en ‘amerikanisering’ (denk bijvoorbeeld aan de supermarkt) een rechtstreeks gevolg was van de Marshallhulp.

Onmiskenbaar bracht het Marshallplan belangrijke politieke veranderingen teweeg. Het vergrootte de kloof tussen Oost- en West- Europa, mede vanwege Stalins afwijzende houding. Het heeft daartegenover de trans-Atlantische banden die tijdens en net na de Tweede Wereldoorlog vorm kregen tussen de VS en West-Europa, aanzienlijk verstevigd. Hoewel dit begon met economische hulp, kreeg deze trans-Atlantische band ook een sterke militairstrategische dimensie, waar de oprichting van de NAVO in 1949 het belangrijkste fundament voor vormde. Toen waren inmiddels velen doordrongen van het nieuwe idee dat Amerikanen en West- Europeanen deel uitmaakten van dezelfde waardengemeenschap, en dat Amerika het voortouw kon nemen om de gezamenlijke belangen te verdedigen. De Europese samenwerking die op aandringen van de Amerikanen in de context van de Marshallhulp tot stand kwam, legde ten slotte een belangrijk fundament voor de totstandkoming van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in 1950: de voorloper van de Europese Unie.

Albertine Bloemendal en Jorrit van den Berk doceren Amerikaanse politiek en geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Dit artikel is ook gepubliceerd in de extra dikke special van over het Marshallplan in Geschiedenis Magazine nummer 4 van 2022. Dat nummer kan je hier nabestellen. 

Bestel

Ook interessant: 

Partners: 

Landen: 

Tijdperken: 

Tijdschriften: 

Lees het aankomende nummer van Geschiedenis Magazine. Neem vóór donderdag 13 oktober 23:59 u. een abonnement.

Van 1 tot en met 9 oktober organiseert Museum Bronbeek in Arnhem de Week van de Koloniale Geschiedenis. Thema: Wat een ramp. Kom ook!

Lees Ons Amsterdam

Iedere maand meeslepende en prachtig geïllusteerde verhalen over de de geschiedenis van Amsterdam.

Ga mee op ontdekkingstocht naar archeologische vindplaatsen in binnen- en buitenland!

Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief. Het is gratis!

Lees het aankomende nummer van Geschiedenis Magazine. Neem vóór donderdag 13 oktober 23:59 u. een abonnement.