Home » Reportage
Voedselschandalen

Voedselschandalen in het negentiende-eeuwse Engeland

In 1893 werd de Keuringsdienst van Waren opgericht in Rotterdam. Sindsdien worden dranken en voedsel nauwlettend gecontroleerd op veiligheid voor consumptie. Door de eeuwen heen hebben handelaren voedsel echter op allerlei manieren verrijkt – niet zelden met ernstige gevolgen. Zo waren er ook voedselschandalen in het negentiende-eeuwse Engeland.

Engelse thee

Engelsen staan al lange tijd bekend om hun voorliefde voor thee. Hoewel de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) rond 1610 in thee ging handelen en Nederlanders de eerste Europese theedrinkers werden, raakten vooral de Engelsen in de ban van het warme drankje.

Dit gebeurde na het huwelijk van Charles II en de Portugese Catherine de Braganza in 1662. Op het moment dat De Braganza voet zette op Engelse bodem, zouden haar eerste woorden een verzoek om thee zijn geweest. Een eeuw later was thee enorm populair onder de Engelsen.

Thee met giftige kleurstof

Maar in 1820 maakte de scheikundige Friedrich Accum bekend dat er op veel verpakkingen van Londense thee heel andere ingrediënten vermeld stonden dan er werkelijk in de thee zaten. De Engelsen zouden al jarenlang thee van goedkope es-, vlier- of sleedoornbladeren gedronken hebben.

Om te zorgen dat deze bladeren op echte Chinese thee leken, werden ze gekookt en gezeefd om doornen en takjes te verwijderen. Daarna werden ze in een oven gedroogd en gekneusd. Om de gewenste groene kleur te krijgen werden de bladeren ook nog gekookt in koperacetaat en eventueel geverfd met een kwastje met wat koper.

Hierdoor dronken de Engelsen begin negentiende eeuw dus jarenlang thee met een giftige kleurstof. Na de ontdekking van Friedrich Accum belandden veel theehandelaren voor een aantal jaar in de cel.

Giftige snoep

Niet veel later, in 1831, kwam opnieuw een voedselschandaal aan het licht – wederom door een opmerkzame scheikundige. De arts William Brooke O’Shaughnessy kocht in 1831 grote hoeveelheden kleurrijk snoep in de winkels in Londen en liet hier enkele scheikundige analyses op los.

Uit de analyses van O’Shaughnessy bleek dat veel van de rode snoepjes bewerkt waren met lood of kwik. De groene snoepjes zaten vol koper. En het gele snoep bevatte guttegom, een kleurstof die ook gebruikt werd om kleding mee te verven.

De Britse regering wilde zich echter niet bemoeien met de vrije markt en schoof de uitkomsten van het onderzoek terzijde. De verkoop van het giftige snoep bleef gewoon toegestaan, tot 1858.

Pepermuntjes met arsenicum

In 1858 had snoephandelaar William Hardaker, beter bekend als ‘Humbug-Billy’, een goede dag. Op de markt in Bradford, Engeland, verkocht hij 2,5 kilo pepermuntjes. Maar binnen 24 uur overleden eenentwintig klanten aan zware krampaanvallen, diarree en overgeven. Tweehonderd andere klanten werden ernstig ziek.

De maker van de pepermuntjes, Joseph Neal, had een assistent naar de apotheek gestuurd voor nepsuiker. In plaats daarvan gaf de apotheker de assistent per ongeluk ruim vijf kilo giftig arsenicum mee, dat toen in de pepermuntjes belandde. Vijf kilo zou genoeg zijn om twintigduizend mensen mee te doden.

Na dit voedselschandaal voerde de Britse regering wetten in om de voedselveiligheid te verbeteren.

BRONNEN

AFBEELDINGEN

  • “The Great Lozenge-Maker. A Hint to Paterfamilias” (1858) door John Leech [Public domain], via Wikimedia Commons
Meer inspiratie

De Barbaren geeft een schitterend overzicht van de voorouders van de hedendaagse Europeanen.

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!