De Arabische wereld

Arabisch-nationalisme: opkomst en ondergang van een ideologie

Met de val van Saddam Hoessein in 2003 kwam, in elk geval voorlopig, een eind aan het bewind van de Iraakse Baath-partij. Deze was in de jaren 1940 ontstaan uit het Arabisch-nationalistische gedachtengoed, dat zijn wortels in de 19de eeuw heeft. De aanhangers hiervan streefden naar politieke eenheid van alle Arabisch sprekenden. Zij lieten zich hierbij inspireren door Europese antidemocratische stromingen als het Franse en Italiaanse rechts-radicalisme en het leninisme. De verscheidenheid op politiek, religieus en cultureel terrein in de Arabische wereld bleek echter te groot.

Hans Schippers Toen Egypte en Syrië in 1958 samengingen in de Verenigde Arabische Republiek, kende het enthousiasme in de Arabische wereld geen grenzen. Caïro, Damascus en andere steden van de nieuwe staat verkeerden dagenlang in feeststemming. Het Arabisch-nationalisme was het politieke systeem van de toekomst, meenden velen. Het leek een kwestie van tijd of ook andere landen zouden zich aansluiten. Veel Arabieren zagen het als een ideologie die hun eenheid, sociale rechtvaardigheid en waardigheid zou brengen. Enige tijd leek het dat met de realisatie van deze idealen een begin zou worden gemaakt. De eenheid kwam echter niet en het Arabischnationalisme liep uit op politieke onderdrukking en economische stagnatie. Saddam Hoessein, de leider van de Iraakse Arabisch-nationalistische Baathpartij, werd daarvan het symbool. Onder Arabisch-nationalisme wordt in dit artikel het streven naar politieke eenheid van alle Arabisch sprekenden verstaan. Dit in afwijking van het (pan-)Arabisme, dat een bredere, vooral culturele betekenis heeft. In de 19de eeuw drongen tal van westerse opvattingen in het Osmaanse rijk door. Dit rijk bestond toen uit het huidige Turkije met delen van de Balkan en de Arabische wereld. Het ging hierbij vooral om hervormingen op technisch, militair en economisch terrein, maar ook uit Europa afkomstige politieke en maatschappelijke opvattingen raakten geleidelijk bekend. Tot deze laatste categorie behoorde het nationalisme, dat in het Arabisch sprekende deel van het rijk een vruchtbare voedingsbodem vond. De Arabische bewoners van het rijk waren namelijk eeuwenlang geregeerd door vooral Turken die meestal geen Arabisch spraken. Het nationalisme dat in het laatste kwart van de 19de eeuw ontstond in de Arabische wereld, had overigens vooral een regionaal karakter. Arabisch sprekenden voelden zich in de eerste plaats Egyptenaar of inwoner van Damascus, Beiroet of orthodox- christen, jood, druus of alawiet (deze beide laatsten waren sjiitische sekten). Arabier was een aanduiding voor als primitief beschouwde bedoeïenen of een Turks scheldwoord. Vrijwel niemand noemde zich zo. Vanaf omstreeks 1875 vormden zich in christelijk-Arabische kringen in Syrië en Libanon culturele bewegingen die het gebruik van het Arabisch propageerden. Zoals dat ook in Europa het geval was ontstonden uit deze taalbewegingen nationalistisch georiënteerde organisaties, die overigens slechts een beperkte aanhang hadden. Het nationalisme in Egypte richtte zich in deze periode vooral tegen de toenemende Britse invloed en had een meer islamitisch geïnspireerd karakter. Op grond van koranteksten propageerde het onder meer een Arabisch in plaats van een Osmaans kalifaat. Het Arabisch-nationalisme kreeg een impuls door de Jong-Turkse revolutie van 1909. De nieuwe Turkse machthebbers streefden naar een gecentraliseerde staat met meer macht voor de regering in Istanbul. Dit botste met de in de praktijk gegroeide grote autonomie van de provincies waar Arabisch gesproken werd. In de kort daarna uitgebroken Eerste Wereldoorlog, waarbij het Osmaanse rijk de kant van de Duitsers koos, werd de gegroeide Arabische onvrede door de Engelsen versterkt. Mede om te verhinderen dat het Osmaanse leger vanuit Palestina de aanval opende op het door hen beheerste Suezkanaal, gingen zij een verbond aan met emir Hoessein, de heerser over Mekka en Medina. Met Britse steun slaagden zijn zoons, Abdoellah en Feisal, erin bij de in juni 1916 gestarte Arabische Opstand delen van Syrië, Palestina en Irak te bevrijden van de Osmaanse heersers. Een onafhankelijke Arabische staat of staten kwamen er echter niet. Britten en Fransen hadden vooraf invloedssferen afgebakend en tijdens de moeizame vredesbesprekingen in Versailles kwamen enkele vanuit Londen en Parijs bestuurde Volkenbondsmandaten tot stand. Irak en Trans- Jordanië zouden namens deze organisatie door de Britten worden ‘opgevoed’ tot onafhankelijkheid en Syrië en Libanon door de Fransen. In (een deel van) het Mandaatgebied Palestina zou een Joods Nationaal Tehuis komen, beloofde Londen de zionistische beweging. Groot-Brittannië maakte werk van zijn taak. Irak en Trans-Jordanië werden door Feisal en Abdoellah bestuurde koninkrijken met een grote mate van zelfstandigheid. In Palestina ontstond echter een burgeroorlog tussen joden en Arabieren. Frankrijk beschouwde Syrië en Libanon in feite als nieuwe koloniën. Via het vertrouwde heers-en-verdeelsysteem werden soennitische islamieten, druzen, alawieten en christenen tegen elkaar uitgespeeld. Van zelfbeschikking kwam niets. In alle Arabische mandaatgebieden ontstonden in de loop van de jaren twintig groepen die streefden naar volledige onafhankelijkheid. Dit streven was aanvankelijk vooral gericht op nationale zelfstandigheid en niet op een Arabisch-nationalistische variant. Deze situatie werd in de hand gewerkt door de gevarieerde bevolkingssamenstelling in enkele landen. In Irak bijvoorbeeld sprak circa 30 procent van de inwoners geen Arabisch, maar Koerdisch, Turks of Aramees. De traditioneel op Iran georiënteerde sjiitische meerderheid in het land zag het Arabisch-nationalisme als een soennitische zaak, vooral bedoeld om aan de macht te blijven. Ook in Syrië woonde een Koerdische minderheid, terwijl religieuze groepen als de druzen en alawieten in de eerste plaats bezorgd waren over de eigen positie. Partij van de Arabische herrijzenis Het was echter juist in Irak dat het Arabischnationalisme vorm kreeg. Koning Feisal bood in de jaren twintig en dertig onderdak aan een groot aantal Syrische en Palestijnse intellectuelen met nationalistische sympathieën. De belangrijkste onder hen was Sati’ al-Husri, een in 1882 in Jemen geboren onderwijskundige van Syrische afkomst. Hij kreeg zijn opleiding in Constantinopel (zoals Istanbul tot 1923 buiten het Osmaanse rijk werd genoemd) en later in Europa. Daar maakte hij via schrijvers als Herder en Fichte kennis met het Duitse nationalisme, dat hem bijzonder aansprak. De situatie voor de Duitse eenwording in 1871 vertoonde volgens Husri namelijk grote overeenkomst met de verdeelde Arabische wereld in de jaren twintig. Husri vestigde zich in 1921 in Irak, waar hij ten slotte hoofd van de onderwijsinspectie werd. In deze functie wist hij veel geestverwante docenten aan te stellen. Husri’s nationalisme had een vooral culturele basis met nadruk op twee zaken: de gemeenschappelijke taal en de gezamenlijke geschiedenis. Iedereen die Arabisch sprak en deel had aan de historische herinneringen van de regio, was automatisch Arabier, of hij dat nu wilde of niet, zo luidde in het kort zijn uitgangspunt. Wat betreft de godsdienst nam de soennitische moslim Husri een liberaal standpunt in. Iedere Arabier, ongeacht zijn religie, maakte deel uit van de Arabische natie. Verder was echter in zijn denkbeelden niets liberaals te vinden. Voor het bereiken van de Arabische eenheidsstaat moesten zaken als democratie en individuele vrijheid wijken. Onderwijs en dan vooral geschiedenisonderwijs beschouwde Husri als van groot belang. Beide dienden echter geheel in het teken van het nationalisme te staan. De invloed van Husri bleef beperkt. Zijn opvolgers op ideologisch terrein, de orthodox-christelijke Syriër Michel Aflaq en zijn soennitische landgenoot Salah al-Din al-Bitar gaven het Arabischnationalisme een nog duidelijker autoritaire inhoud en organisatiestructuur. Aflaq en Bitar studeerden in het begin van de jaren dertig aan de Parijse Sorbonne en kwamen hier onder invloed van Italiaanse en Franse nationalistische schrijvers en Lenins theorieën over een partij-elite tot hun opvattingen. Na hun terugkeer in Syrië bestreden zij het Franse koloniale bewind en waren politiek actief in enkele discussiegroepen, waaruit in 1943 de Baath ontstond; letterlijk: de partij van de Arabische herrijzenis. Door fusies met enkele andere ideologisch verwante organisaties kreeg de partij in het na 1945 onafhankelijk geworden Syrië haar definitieve vorm. De Baath had hierbij door haar seculiere karakter een zekere aantrekkingskracht op religieuze minderheden als alawieten, druzen en christenen. Onder de leus ‘eenheid, vrijheid en socia- lisme’ groeide de Syrische Baath in de jaren vijftig en zestig uit tot een massapartij, die een grote rol speelde in het tot stand komen van de unie met Egypte. In 1963 wist ze na een staatsgreep de macht te grijpen. Bitar werd enige tijd premier van het land. In de zeer woelige politieke verhoudingen van Irak werd de Baath pas in de jaren zestig een kracht van betekenis. Na een korte deelname aan een coalitie-regering in 1963 greep de partij vijf jaar later de macht, om die tot de val van Saddam Hoessein in 2003 niet meer af te staan. Nasserisme Van het Arabisch-nationalisme bestond nog een tweede variant en wel in Egypte, waar in 1952, ook al na een militaire staatsgreep, kolonel Gamal Abdel Nasser de macht kreeg. De nieuwe leider was een man van tegenstellingen. Afkomstig uit een eenvoudig milieu had hij bewondering voor het politieke systeem in de Sovjet-Unie. Duizenden communisten echter die weigerden lid te worden van zijn eenheidspartij, werden in kampen opgesloten. Nasser was verder vooral een Egyptisch nationalist, maar hij liet zich naar voren duwen als leider van de Arabische eenheid. Tenslotte was hij een uitstekend spreker en charismatische persoonlijkheid, die zich echter op beslissende momenten liet meeslepen door anderen. Nasser begon met successen. Hij haalde de Britten over de Suezkanaalzone te ontruimen. In 1956 wist hij met Amerikaanse hulp te voorkomen dat zij het door hem genationaliseerde kanaal opnieuw bezetten. Nasser werd een held in de Arabische wereld, die in de loop van de jaren vijftig een eigen ideologie ontwikkelde. De drie pijlers van dit ‘nasserisme’ waren: Arabisch- nationalisme, Arabisch socialisme en politieke ongebondenheid. Deze bestanddelen moesten de Arabische wereld economisch sterk en sociaal rechtvaardig maken en in politiek opzicht neutraal ten aanzien van de twee machtsblokken. Nasser zag het Arabisch-nationalisme als een ideologie die een eind moest maken aan de westerse invloed in de regio en niet zozeer als een beweging die alle Arabische staten diende te verenigen. Ook op economisch terrein verschilde het nasserisme van de ideologie van de Baath. De Egyptische president streefde een grote staatsinvloed na. De Baath had meer corporatistische opvattingen, waarbij de diverse eco- soevenomische geledingen moesten samenwerken tot heil van de Arabische natie. Vanwege zijn politiek van ongebondenheid verzette Nasser zich fel tegen de vorming in 1955 van het Westers georiënteerde Bagdadpact, waarbij onder meer Irak en Turkije zich aansloten. Als tegenzet versterkte hij de band met Syrië, waaruit ten slotte in februari 1958 de Verenigde Arabische Republiek (var) ontstond. Die varwas in feite een groot misverstand. Het initiatief ertoe was genomen door een aantal Syrische militairen, die op deze wijze een burgeroorlog tussen de Baath en linkse groepen wilden voorkomen. Nasser voelde aanvankelijk weinig voor een samengaan, dat hij vergeleek met een duik in een zwembad zonder te weten of daar water in zat. Toen duidelijk werd dat ‘de straat’ de fusie eiste, sloot hij zich daarbij aan. Nasser was echter politicus genoeg om het samengaan zijn voorwaarden op te leggen. Dat wil zeggen de invoering van een door de staat geleide economie zoals die in Egypte bestond en het opgaan van de Syrische politieke partijen in zijn eenheidspartij, de Nationale Unie, later de Arabisch Socialistische Unie. De Arabische wereld ontving het nieuws van de fusie met groot enthousiasme. In het door de pro-Westerse koning Hoessein geregeerde Jordanië eisten betogers aansluiting bij de var. In Libanon brak een opstand uit tegen de als pro-Westers beschouwde christelijke politicus Camille Chamoun. In Irak pleegden militairen enkele maanden later een bloedige coup, waarbij koning Feisal werd gedood. De nieuwe leiders, generaal Kassem en kolonel Aref, traden uit het Bagdadpact en Irak leek zich te gaan aansluiten bij de var. Precies zoals duizenden demonstranten in Damascus en Bagdad eisten. Zover kwam het echter niet. Kassem, een man met linkse sympathieën die brede steun genoot, realiseerde zich dat veel Koerden, sjiieten en communisten niets voelden voor een unie met de var. Hij zette Aref, een voorstander van de fusie, af en kondigde een ‘Irak-eerst’ politiek af. Een poging tot staatsgreep van Aref, gesteund door de var en leden van de Baath, mislukte in 1959 en de kans op een fusie was verkeken. Ook tussen Egypte en Syrië ontstonden spanningen, voornamelijk door het streven naar dominantie van het eerste land. In september 1961 pleegde het Syrische leger een staatsgreep, waarna het land de banden met Caïro verbrak. Een tweede kans Een jaar later leek het tij echter te keren voor het Arabisch-nationalisme. Geslaagde staatsgrepen door tot de Baath behorende officieren in Syrië en Irak leken begin 1963 een herleving van de dagen van 1958 mogelijk te maken. Er waren opnieuw grote demonstraties in Damascus en Bagdad en delegaties uit de twee landen meldden zich in maart in Caïro. De besprekingen werden echter bemoeilijkt door wederzijds wantrouwen over de motieven om tot een fusie te komen. Nasser vreesde een samenzwering van de Baath tegen zijn regime. Syrië en Irak waren bang voor een nieuwe Egyptische machtsgreep. Het resultaat was dat in april 1963 een vage overeenkomst tot samenwerking werd bekendgemaakt. De onvrede over het resultaat leidde tot een mislukte coup van Nasser-aanhangers in Syrië, die ook aan de samenwerking een eind maakte. Nasser greep vervolgens de strijd tegen Israël aan als middel om de Arabische wereld te verenigen. Het Israëlisch-Palestijns conflict had tot dan toe slechts een beperkte rol gespeeld in de Arabisch-nationalistische discussies. Eerst eenheid was de leus, daarna andere zaken. Plannen van Israël om Jordaanwater op grotere schaal dan voorheen voor irrigatie te gebruiken, vormde de aanleiding voor een begin 1964 in Caïro gehouden Arabische topconferentie. Leiders die elkaar kort daarvoor nog fel hadden bestreden, vonden elkaar nu in een veroordeling van Israël. Op een tweede conferentie in september 1964 verklaarde Nasser dat hij voortaan de nationale soeve- reiniteit van de andere Arabische staten zou respecteren. Het ging er nu in de eerste plaats om een front te vormen tegen Israël, dat hij voorstelde als een neo-koloniaal bolwerk en vijand van de Arabische wereld. Nassers activisme leidde tot een catastrofe toen begin 1966 in Syrië de links-radicale vleugel van de Baath de macht greep. De twee landen overtroffen elkaar in anti- Israëlische retoriek en acties, waarop dit land op de gebruikelijke militaire wijze reageerde. Het eindresultaat was dat Egypte een defensiepact met Syrië sloot en begin 1967 de zeeverbinding naar Eilat voor Israëlische schepen sloot. Het enthousiasme bij de Arabische volken was groot. Hier was eindelijk een leider die opstond tegen het ‘arrogante Israël.’ Nassers populariteit bereikte nieuwe hoogtepunten. Het vervolg was echter ontnuchterend. Israël voerde begin juni een verrassingsaanval uit die de legers van Egypte, Syrië en Jordanië binnen zes dagen uitschakelde. Nadagen De nederlaag betekende het einde van het Arabisch-nationalisme als dominante ideologie in de regio. Nasser overleed in 1970 als een gedesillusioneerd man. Zijn opvolger generaal Anwar Sadat maakte zich geleidelijk los van de opvattingen van zijn voorganger. Kenmerkend hiervoor was de latere wijziging in de naam van de regeringspartij van Arabisch naar Egyptisch Socialistische Unie. Bij een met Syrië gecoördineerde aanval wist Sadat in oktober 1973 Israël te verrassen en een deel van de Sinaï-woestijn te heroveren. Zonder Damascus daarin te kennen sloot hij vervolgens een wapenstilstand en een akkoord tot troepenscheiding met Israël. Na een sensationele reis naar Jeruzalem kwam ten slotte in 1979 een vredesverdrag met Israël tot stand, waarbij Egypte de Sinaï terugkreeg. Arabisch-nationalisten zagen Sadat als de ultieme verrader van hun zaak. De Egyptische leider viel in 1981 door moordenaarshand. De plegers van die aanslag waren echter geen nationalisten, maar fundamentalistische moslims. En dat was kenmerkend voor de gang van zaken op ideologisch terrein. Vooral na het in 1979 aan de macht komen van ayatollah Chomeini in Iran wonnen fundamentalistische opvattingen ook in de Arabische wereld snel terrein. Het Arabisch-nationalisme bleef bestaan in de vorm van door de Baath gedomineerde regeringen in Syrië en Irak.Van een realisatie van het eenheidsideaal kwam echter niets. Ideologische conflicten stonden al spoedig normale betrekkingen in de weg. Later vonden over en weer zelfs aanslagen en schermutselingen plaats. De grens tussen de twee landen was jarenlang gesloten. Syrië en Irak waren politiestaten waar de heersers – in Syrië generaal Hafez Assad en in Irak Saddam Hoessein – na verloop van tijd steeds meer steunden op minderheidsgroepen. In Syrië waren dit de alawieten, een sjiitische sekte waar Assad zelf ook toebehoorde, en in Irak de Arabische soennieten. Zij vertegenwoordigden respectievelijk ca 12 en 20 procent van de bevolking. Hafez Assad overleed in 2000. Zijn zoon Bashar volgde hem op. Hij zegde het in politiek opzicht verstarde land met zijn stagnerende economie, hervormingen toe. Hiervan kwam echter weinig terecht. In 2003 zette een door de Verenigde Staten geleide militaire coalitie Saddam Hoessein af. Voordien was Irak vanaf 1970 vrijwel permanent in oorlog geweest met binnenof buitenlandse tegenstanders als de Koerden, Iran, Koeweit en de sjiitische bevolkingsgroep. Welke weg Irak na de val van Saddam Hoessein op zal gaan is niet duidelijk. Maar het is onwaarschijnlijk dat een Arabisch-nationalistische partij opnieuw aan de macht zal komen. Moderniseringsbeweging De voornaamste reden voor het falen van het Arabisch-nationalisme was het feit dat de nationalistische bewegingen in Duitsland, en later van Italië en Frankrijk, niet als model konden dienen voor de Arabische wereld. Deze wereld was niet alleen veel groter, maar had ook een meer gevarieerde bevolkingssamenstelling en cultuur. Inwoners van Tunesië en Marokko hebben weinig gemeen met Syriërs of Jemenieten. Zelfs het Arabisch dat zij spreken, is door de verschillen in dialect een problematisch communicatiemiddel. Koerden en andere minderheden als de Noord-Afrikaanse Berbers hebben bovendien een eigen taal. Een belangrijk nadeel van de oriëntatie op totalitaire bewegingen als het rechts-radicalisme en marxisme was nog het antidemocratische karakter dat het Arabischnationalisme in zowel Egypte als bij de Baath-variant in Syrië en Irak had. De grenzen van de in de jaren twintig tot stand gekomen staten vielen verder met uitzondering van Irak grotendeels samen met Osmaanse provincies. Met andere woorden: een Tunesisch of Egyptisch nationaal gevoel bestond al enige tijd. Het aanvankelijke enthousiasme voor de Verenigde Arabische Republiek was voornamelijk verbonden met de elektriserende persoonlijkheid van president Nasser. Zijn aanwezigheid begeesterde de massa’s. De praktijk van de Arabische eenheidsstaat deed die geestdrift snel verdwijnen. De balans van het Arabisch-nationalisme is echter niet louter negatief. Het was ook een moderniseringsbeweging, die het onderwijs stimuleerde en de emancipatie van vrouwen steunde. Ook de gezondheidszorg verbeterde. Door het seculiere karakter van de ideologie bevorderden vooral de Baath-regimes aanvankelijk de gelijke kansen voor religieuze minderheidsgroepen. Deze positieve zaken, die in de jaren tachtig en negentig overigens op de achtergrond raakten, wegen echter niet op tegen de ongunstige aspecten van het Arabisch-nationalisme. ∞

Afbeeldingen:

Dit artikel is afkomstig uit Spiegel Historiael, nummer 10, jaargang 2004.

Meer weten

Tijdschriften: