Home » Reportage
Referendum in Nederland

De ervaringen van Nederland met referenda

Op 28 oktober 2019 sprak de Raad van State zich positief uit over een wetsvoorstel van de SP om een correctief referendum mogelijk te maken. Dit was echter niet de eerste keer dat referenda op de politieke agenda stonden. Hoe ziet de de geschiedenis van Nederlandse volksraadplegingen eruit? 

Eind achttiende eeuw kwamen in Nederland ‘de patriotten’ op, die voor een democratischer landsbestuur pleitten. De patriotten riepen met behulp van Franse troepen op 19 januari 1795 de Bataafse Revolutie uit. De leiders van de nieuwe Bataafse Republiek gingen gelijk aan de slag met het ontwikkelen van een grondwet, waar het Nederlandse volk per referendum inspraak in werd gegeven. Op 8 augustus 1797 werd het allereerste referendum in Nederland gehouden, over de nieuwe grondwet, waarbij een ruime meerderheid tegenstemde (108.761 tegen; 27.955 voor). Op 22 januari 1798 pleegden radicale Bataven een staatsgreep en hielden enkele maanden later opnieuw een referendum over een gewijzigd grondwetsontwerp. Deze keer werd het ontwerp wel aangenomen (11.597 tegen; 153.913 voor).

In de negentiende eeuw werd het recht op een volksraadpleging niet opgenomen in de Nederlandse grondwet. Ook bij de liberale grondwetsherziening van 1848, die werd geleid door het liberale icoon Johan Rudolph van Thorbecke, werd geen juridische erkenning verleend aan het referendum. Volgens de doctrine van Thorbecke moest het parlement immers in staat zijn om op onafhankelijke wijze beslissingen te nemen. Binnen deze ideologie was daarom geen plaats voor instructieve stemmingen van de Nederlandse bevolking.Johan Rudolph Thorbecke

Referendum over de kermis

Desalniettemin vond in het Zuid-Hollandse plaatsje Hillegom in 1906 het eerste lokale referendum plaats. Hierbij werd bewoners gevraagd of zij liever een jaarlijkse kermis of een volksfeest, gesubsidieerd door de gemeente, wilden. De meeste inwoners stemden voor het volksfeest. Omdat de jaarlijkse kermis echter ook veel stemmen kreeg, besloot de gemeenteraad om zowel een volksfeest als een jaarlijkse kermis te organiseren.

Zes jaar later vond in Naarden het tweede lokale referendum plaats, waarbij opnieuw een rol was weggelegd voor de kermis. Eerder in 1912 hadden honderd vooraanstaande burgers van de vestingstad geklaagd over de overlast van de kermis, waarop de gemeenteraad de kermis afschafte. Boze burgers die vervolgens klaagden over de afschaffing van de kermis, mochten in een referendum over dit besluit hun stem uitbrengen. 450 inwoners stemden tegen de afschaffing van de kermis, 170 stemden voor. De kermis mocht dan ook blijven. De openingstijden werden echter wel aangepast.

Toen de bewoners van Almelo in 1914 óók een referendum over de kermis wilden houden, greep de overheid in. De Tweede Kamer stelde dat volksraadplegingen in strijd waren met de Gemeentewet, waarin bepaald werd dat het gemeentebestuur onafhankelijk moest zijn. Het referendum in 1914 ging dan ook niet door.

Proefreferendum over Europa

Het referendum maakte echter in 1952 een opmerkelijke comeback. In dat jaar vond namelijk een opmerkelijke volksstemming plaats over de toekomst van Europa. Na de Tweede Wereldoorlog probeerden Europese landen meer eenheid op het continent te scheppen. Stemgerechtigde inwoners van de Nederlandse steden Delft en Bolsward mochten in 1952 in een proefreferendum hun mening geven over de Europese ontwikkelingen. De steden werden gekozen omdat ze als “gemiddeld” werden gezien.

De steden werden bestormd door de buitenlandse pers en door Nederlandse politici, die de steden bezochten om mensen over te halen om voor een verenigd Europa met een eigen grondwet te stemmen. Op de dag van het referendum stemde 96,5% van de inwoners van Bolsward vóór een verenigd Europa, in Delft 93%.

Actiecomité Referendum: Ja

Op 9 juni 1981 diende het actiecomité “Referendum: Ja” een petitie in bij de Tweede Kamer, waarin het comité vroeg om de invoering van het referendum bij zaken van groot nationaal belang. Het actiecomité, een initiatief van de Rotterdamse hoogleraar S.W. Couwenberg, pleitte allereerst voor een adviserende volksraadpleging. Als dat goed liep, zou het bindend referendum kunnen worden ingevoerd.

De Tweede Kamer nam hierop een motie aan waarin werd aangedrongen op hernieuwde bestudering van het referendum. De staatscommissie onder leiding van oud-premier Barend Biesheuvel die met deze studie werd belast, concludeerde in 1985 dat zowel de invoering van het bindend als het raadgevend referendum een goede zaak zou zijn. Vrijwel alle politieke partijen keurden het rapport goed. Het kabinet onder leiding van Ruud Lubbers nam dit advies echter niet over.

‘Nacht van Wiegel’

In 1997 werd nogmaals een poging gedaan om het referendum in te voeren. Hans Dijkstal, destijds minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deed hiertoe een voorstel tot wijziging van de Grondwet. Dit voorstel kwam vrijwel geheel overeen met de adviezen van de commissie-Biesheuvel, hoewel de voorwaarden voor het aanvragen van een referendum strenger waren. Het grondwetsvoorstel werd in eerste lezing aangenomen door zowel de Tweede als de Eerste Kamer, maar dit moest ook in een tweede lezing nog gebeuren.

Na de Tweede Kamerverkiezingen van 1998 zette het kabinet-Kok II de plannen met betrekking tot het referendum door. Tijdens de tweede lezing van het voorstel in de Tweede Kamer werd deze met de vereiste meerderheid aangenomen. Maar bij de nachtelijke stemming in de Eerste Kamer, op 19 mei 1999, kwam het voorstel één stem te kort voor de vereiste tweederdemeerderheid. Dit was het resultaat van een dissidente stemmer, VVD-senator Hans Wiegel, die als enige coalitiegenoot van het paarse kabinet tegen het voorstel stemde.

Grondwet voor Europa

Het zou vervolgens tot 2005 duren voor het referendum weer een plaats kreeg in de Nederlandse politiek. Op woensdag 1 juni 2005 mochten alle stemgerechtigde Nederlanders tijdens een landelijk raadplegend referendum antwoord geven op de vraag: “Bent U voor of tegen instemming door Nederland met het verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa?”

In totaal werden er 7.646.415 stemmen uitgebracht, waarmee de opkomst 63,3% was. Van de kiezers bleek 61,5% tegen het aanvaarden van het grondwettelijk verdrag. De behandeling van de goedkeuringswet voor het verdrag werd daarna dan ook ingetrokken door de Tweede Kamer, die van tevoren al had aangegeven dat zij de uitslag van het referendum, onder voorwaarden, zou respecteren. Het verdrag, dat ook in Frankrijk tijdens een referendum werd verworpen, werd uiteindelijk vervangen door het Verdrag van Lissabon.

Het Oekraïneverdrag

Tien jaar later, op 1 juli 2015, ging de Wet raadgevend referendum (Wrr) van kracht, zodat burgers een raadgevend referendum konden aanvragen als zij binnen een bepaalde periode ten eerste tienduizend handtekeningen, en vervolgens minimaal driehonderdduizend handtekeningen konden verzamelen.

Van deze wet werd al vrij snel gebruik gemaakt; actiegroep GeenPeil, een samenwerkingsverband tussen de website GeenStijl, het Burgercomité EU en de toenmalige denktank Forum voor Democratie, voerde actie voor een referendum over de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne uit 2014. Het referendum hierover vond plaats op 6 april 2016. 61% van de opgekomen kiezers stemden tegen de wet. Hoewel de opkomst slechts 32,2% was en de uitslag hierdoor volgens sommigen ongeldig verklaard zou moeten worden, werd de ratificatie van de overeenkomst door Nederland maandenlang uitgesteld. Op 30 mei 2017, bijna veertien maanden na het referendum, werd het Oekraïneverdrag na aanpassing alsnog geratificeerd.

Het laatste referendum

Het referendum van maart 2018 over de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten – ook bekend als de zogeheten ‘Sleepwet’ - was het tweede en laatste raadgevend referendum in de Nederlandse politieke geschiedenis. In deze volksraadpleging sprak een meerderheid van de stemmers zich uit tegen wetgeving die voorzag in ruimere opsporingsbevoegdheden voor de geheime diensten.

Op 22 februari 2018 stemde een meerderheid in de Tweede Kamer voor afschaffing van het raadgevend referendum. Volgens de coalitiepartijen VVD, CDA, D66 en CU had het democratische instrument niet gebracht wat ervan verwacht werd. Een verzoek van de voltallige oppositie om een referendum over de afschaffing van het referendum te organiseren, werd door het kabinet verworpen. Het raadgevend referendum werd hierop definitief afgeschaft in juli 2018. 

Wetgevende referenda

Het meest recente hoofdstuk in de geschiedenis van het Nederlandse referendum werd geschreven in oktober 2019. In die maand sprak de Raad van State zich positief uit over een referendumwet die werd ingediend door SP-Kamerlid Ronald van Raak. In deze wet werd voorzien in een zogenaamd corrigerend referendum, waarmee kiezers wetsvoorstellen zouden kunnen wegstemmen voordat deze in werking treden. Volgens de Raad van State zou zo’n correctieve ingreep kunnen helpen om relatief geïsoleerde groepen in de samenleving te betrekken bij de politieke besluitvorming. 

Of Van Raaks voorstel uiteindelijk zal leiden tot de formele erkenning van een bindend referendum in Nederland, moet in de aankomende jaren blijken. Desalniettemin kan voorlopig worden gesteld dat zijn initiatief in een lange traditie kan worden geplaatst.

BRONNEN

AFBEELDINGEN

Meer inspiratie

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!