Duitsland en de verwerking van het oorlogsverleden

In het kader van de jaarlijkse Internationale Herdenkingsdag voor de Holocaust worden op 27 januari de nazislachtoffers herdacht. Het herinneren van de Holocaust en vooral de massavernietiging van de joden is door dit soort dagen en de herinnering in musea en monumenten inmiddels vanzelfsprekend. Dat is echter niet altijd zo geweest. Inde Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek (DDR) werd de catastrofe lange tijd verdrongen.

Duitsland lag na de Tweede Wereldoorlog in puin en aanhangers van het nationaalsocialisme hadden een reeks misdaden op hun geweten. Zodoende ontstond de vraag hoe met dit verleden moest worden omgesprongen en hoe dit moest worden verwerkt. Duitsland werd door de geallieerden erdeeld in vier bezettingszones: een Amerikaanse-, Britse-, Franse- en Sovjet-zone. Op die manier werd geprobeerd een dergelijke oorlog in het vervolg te voorkomen en de denazificatie te voltooien. In 1949 ontstond uit de eerste drie zones de Bondsrepubliek, de Russische zone ging over in de DDR. In beide Duitslanden was de omgang met het oorlogsverleden een heikel punt. De herinnering werd in beide staten bovendien anders vormgegeven.

Bondsrepubliek Duitsland

Konrad Adenauer - German Federal Archive - 1952

Konrad Adenauer - German Federal Archive - 1952

In West-Duitsland wist de christendemocratische bondskanselier Konrad Adenauer de herinnering aan de Holocaust grotendeels te bepalen. Hij kwam in 1949 aan de macht en behield deze functie tot in 1963. De bondskanselier voerde een liberale democratie in, waarin een schone start centraal stond. Adenauer richtte zijn beleid op verzoening. Iedereen, behalve degenen die door het Neurenbergtribunaal vervolgd werden, werd verwelkomd in de maatschappij. Veel overheidsfunctionarissen die het naziregime hadden gediend, bleven op hun post zitten. De regering zorgde er vanaf het begin voor dat de aandacht werd afgeleid van de misdaden van het Derde Rijk. Daardoor werd er door de regering niet veel gesproken over de Holocaust. Adenauer was van mening dat nadruk op de verschrikkingen onder het nationaalsocialisme zorgde voor frustratie van het economische herstel en de opbouw van een democratische traditie.

Wiedergutmachung

In tegenstelling tot de grotere lijn van zijn beleid ondersteunde Adenauer vanaf 1951 de Wiedergutmachung. Deze bepaling hield in dat er betalingen werden gedaan aan Israël en nabestaanden van Holocaustslachtoffers. Lang niet iedereen binnen Adenauers partij was het eens met dit idee van een collectieve Duitse schuld. De bondskanselier zag de stap echter ten eerste als moreel noodzakelijk, maar daarnaast speelde de politiek hierin een grote rol. De Wiedergutmachung was namelijk één van de vereisten om aan te mogen sluiten bij het Westerse bondgenootschap, met name de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de voorloper van de Europese Unie, de Europese Economische Gemeenschap. De Wiedergutmachung gaf aan dat er niet alsnog een periode van vervolging van oud-nazi’s zou volgen door de regering. Dat werd onderstreept door Adenauers keuze om het pensioenrecht van leden van de Wehrmacht en het naziregime te herstellen.

Verwerking van het oorlogsverleden

Naast het geluid van de regering lieten onder meer de sociaaldemocraat Kurt Schumacher (van 1949 tot en met zijn dood in 1952 oppositieleider), de liberale bondspresident Theodor Heuss (van 1949 tot in 1959) en de sociaaldemocratische burgemeester van Berlijn Ernst Reuter (van 1948 tot in 1953) een ander geluid horen over het verwerken van het oorlogsverleden. Zij pleitten er voor dat West-Duitsland het naziverleden, inclusief alle verschrikkingen, onder ogen zou zien. In de jaren ‘50 was langzaam een verandering in de situatie gekomen door de wens om bij het Westen aan te kunnen sluiten, de economische en politieke opbouw te kunnen bevorderen en omdat de meest verse herinneringen aan de oorlog weg begonnen te zakken, waardoor er beter over gesproken kon worden. 

Desondanks voerde het christendemocratische geluid lange tijd de boventoon, waardoor de herinnering en de verwerking van de nationaalsocialistische tijd geen prioriteit kreeg. In de jaren ‘60 kwam hier, met name door het aantreden van een nieuwe generatie politieke leiders, verandering in en brak er een publieke discussie los over de misdaden van het naziregime. 

De Duitse Democratische Republiek (DDR)

Walter Ulbricht - German Federal Archive - 1950

Walter Ulbricht - German Federal Archive - 1950

In de communistische DDR wist de Socialistische Eenheidspartij Duitsland (SED) de herinnering aan het naziverleden vanaf de oprichting van de staat in 1949 tot aan de val van de Berlijnse muur in 1989 grotendeels te bepalen. Secretaris-generaal Walter Ulbricht, die deze functie van 1950 tot in 1971 bekleedde, was in de oorlogsjaren naar Moskou gevlucht en had daar vooral oog gekregen voor het Russische offer tijdens de Tweede Wereldoorlog. Voor het lot van de joden of de rol van de geallieerde legers in de overwinning op Nazi-Duitsland had hij minder aandacht. Hierdoor stond het offer dat de Sovjet-Unie in de oorlog had gemaakt centraal in de Oost-Duitse herinnering aan het nationaalsocialistische verleden.

Herinnering DDR

De invulling van de herinnering aan het naziverleden hing in de DDR nauw samen met de identiteit en de legitimering van de staat. De DDR portretteerde zichzelf namelijk als aanvoerder van de strijd tegen het fascisme. De Verenigde Staten en de Bondsrepubliek waren de voornaamste ‘nieuwe’ vijanden. Met het oog op de antifascistische identiteit en legitimering van Oost-Duitsland kreeg de Holocaust, ondanks het hoge aantal joden binnen het communisme, weinig aandacht. 

Paul Merker

Een alternatieve manier van herinneren, die zich sterk maakte voor een grotere rol voor de Holocaust, werd aan het begin van de jaren ‘50 in de kiem gesmoord door de SED. Paul Merker, eveneens SED-lid omdat dit in Oost-Duitsland de enige kans was om nog enige invloed uit te oefenen op het beleid, was de voornaamste exponent van de groep Oost-Duitsers die het oorlogsverleden op een andere manier wilde herinneren. De staatsleiding beschouwde dit soort geluiden als bron van staatsondermijnende, fascistische ideeën en in 1950 werd Merker op verdenking van spionage uit de SED gezet.

Deze gebeurtenis viel samen met een grote zuivering van kosmopolitische en joodse elementen in de Oost-Duitse maatschappij. Twee jaar later werd Merker door de staatspartij geportretteerd als spil in een samenzwering van imperialisme, Zionisme en joodse kapitalisten. Voor veel joden werd de situatie binnen de SED en zelfs in de DDR hierdoor te gevaarlijk en zij ontvluchtten het land. Merker werd opgepakt en veroordeeld. Lange tijd verdween de vraag om een prominentere herdenking van de Holocaust uit de maatschappij.

Erich Honecker

Ulbrichts opvolger Erich Honecker, die van 1971 tot in 1989 aan de macht was, hield vast aan de lijn die zijn voorganger had ingezet. Nadat de Berlijnse muur in 1989 gevallen was, veranderde de koers. Het eerste democratisch gekozen parlement van de DDR gaf in 1990 een verklaring af waarin zij spijt betuigde voor de nazimisdaden en voor de manier waarop de SED hier voorheen mee was omgegaan. In oktober 1990 hief de DDR zichzelf op en in diezelfde maand was de Duitse hereniging een feit. Hoewel er in het herenigde Duitsland nog erg veel discussie was en is over de omgang met de herinnering aan de Holocaust, werd in 1996 al een Duitse voorloper van de  Internationale Herdenkingsdag voor de Holocaust ingesteld: de Tag des Gedenkens an die Opfer des Nationalsozialismus. Nog steeds heet deze dag in Duitsland zo, in andere landen wordt de internationale variant gebruikt.

<h3>Bronnen:</h3>
<ul>
<li>Faulenbach, B., ‘Diktaturerfahrungen und demokratische Erinnerungskultur in Deutschland’, in: A. Kaminisky (ed.), <em>Orte des Erinnerns. Gedenkzeichen, Gedenkstätten und Museen zur Diktatur in SBZ und DDR </em>(Bonn 2004) 18 – 30;</li>
<li>Jarausch, K., ‘Care and coercion. The GDR as welfare dictatorship’, in: K. Jarausch (ed.), <em>Dictatorship as experience: towards a sociocultural history of the GDR </em>(New York 1999) 47 – 69;</li>
<li>Herf, J., <em>Divided memory: the Nazi past in the two Germanys </em>(Cambridge (Massachusetts) 1997);</li>
<li>Herf, J., ‘The emergence and legacies of divided memory, Germany and the Holocaust since 1945’, in: J.W. Müller (ed.), <em>Memory and power in postwar Europe. Studies in the presence of the past </em>(Cambridge 2002) 184 – 205;</li>
<li>Koepnick, L., ‘Culture in the shadow of trauma’, in: H. Walser Smith, <em>The Oxford handbook of modern German history</em> (Oxford 2011) 711 – 729;</li>
<li>Markovits, A.S. en Reich, S., <em>Das deutsche Dilemma. Die Berliner Republik zwischen Macht und Macht-verzicht </em>(Berlijn 1999);</li>
<li>Port, A.I., ‘Democracy and dictatorship in the cold war’, in: Walser Smith, <em>The Oxford handbook of modern German history</em>, 615 – 639.</li>
</ul>

Meer weten

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!

De Barbaren geeft een schitterend overzicht van de voorouders van de hedendaagse Europeanen.